Ik heb het afgelopen weekend een mooi plat scherm gekocht op de HCC Dagen in Utrecht, zodat ik mijn laptop daarop kan aansluiten. Dat had echter wel tot gevolg dat ik ook een apart toetsenbord moest hebben. Gelukkig had ik nog een USB-toetsenbord liggen wat ik ooit eens op een rommelmarkt had gekocht voor 50 cent. Tijdelijk moest dat toch wel kunnen leek me zo.
Bij nadere beschouwing bleek dit toetsenbord ontworpen te zijn door iemand die helaas niet heeft geprobeerd ook te werken met het door hem ontworpen toetsenbord. Kijkt u eens naar het plaatje boven: de ontwerper heeft in al zijn wijsheid besloten dat het handig is om een aan en uit-knop te hebben op het toetsenbord. Prima, dat hebben bijvoorbeeld Apple-computers ook. Maar waar heeft de ontwerper die knoppen geplaatst? Inderdaad: op de plek waar normaal de ‘print screen’, ‘scroll lock’ en ‘pause/break’ knoppen zitten! En zo zit ik dus constant per ongeluk mijn computer uit te zetten terwijl ik eigenlijk op ‘pause’ wil drukken. Toch maar een ander toetsenbord kopen…
Wat mij nu al een paar weken opvalt, en me ook wel enigszins stoort, is het gebruik van ‘die’ op plekken waar je normaal gesproken ‘de’ gebruikt. Vaak is het dan om naar iets te verwijzen waar je zelf aan deelneemt, zoals bijvoorbeeld Geert Wilders een paar dagen geleden toen hij sprak over ‘dat mensen die Partij van de Vrijheid wel zien zitten’. Ook vanavond hoorde ik Brecht van Hulten bij de Top 2000 het hebben over ‘wat mensen in die Top 2000 willen zien’. Ik vind ‘die’ een beetje onpersoonlijk klinken, alsof je het hebt over iets waar je het liever niet over hebt. Of heb ik het mis en is het juist een mooie nieuwe vorm in het Nederlands?
Net gekeken naar het lijsttrekkersdebat op Nederland 1. Wat me daar toch weer opviel is dat de overtuigingskracht van de lijsttrekkers vooral samenviel met hoe ‘authentiek’ ze overkwamen. ‘Authentiek’ is natuurlijk een vreselijk belegen en onduidelijk begrip, maar in de loop der jaren zijn we de politici toch wat beter gaan kennen en zijn we bepaalde dingen gaan verwachten.
Jan-Peter Balkenende was bijvoorbeeld erg zichzelf, ook al is ‘zichzelf’ in zijn geval: onhandig formuleren, te snel en onduidelijk praten en allerlei feiten opdreunen en irrelevante vragen stellen aan Wouter Bos (‘Weet u hoeveel verzorgingstehuizen er zijn in Nederland meneer Bos? Nee? Ik zal het u zeggen: 650!’). Een prettige, consistente onhandigheid, die blijkbaar toch vertrouwen kweekt.
Die prettige onhandigheid was juist compleet afwezig bij Femke Halsema en Mark Rutte. Vooral Rutte leek wel geïnstrueerd door zijn mediatrainer om vooral zoveel mogelijk boos en verontwaardigd te praten en ‘beschouwingen’ te geven over de discussie tussen Balkenende en Bos terwijl iedereen toch van hem verwacht dat hij de gezellige oud-student uithangt.
Rutte was ook verantwoordelijk voor de meest gênante momenten van de avond, namelijk die waarin hij Balkenende bijna beledigde omdat hij niet bij voorbaat wilde kiezen voor de VVD als coalitiepartner. Het leek wel alsof Rutte de bui al ziet hangen met een coalitie zonder de VVD en daardoor al vast paniekerig begint te reageren.
Femke Halsema was ook niet authentiek, ik vond haar te schreeuwerig en te ‘hard’. Wellicht dat ze wat harder wilde zijn omdat ze vroeger altijd als te ‘zacht’ werd ervaren. Maar juist op de momenten dat ze de afgelopen weken haar zachte kant liet zien, en niet zo streng keek vond ik haar het sterkst. Desondanks had ze wel een van de sterkste momenten van de avond toen ze Balkenende confronteerde met zijn standpunt over Irak. Ik vond het sowieso opvallend dat hét nieuws van dit weekend, de mogelijke misdragingen van Nederlandse soldaten in Irak, in het hele debat niet één keer werd genoemd (en de Schipholbrand ook niet, bedenk ik me net). Blijkbaar scoren ‘kinderen in de cel’ toch beter bij de Nederlandse kiezer, want daar kwamen zowel Bos als Halsema meerdere malen mee.
Wouter Bos deed precies wat we al jaren van hem verwachten: de PvdA-standpunten op een bijzonder mediagenieke en duidelijk manier uitdragen, maar op zo’n manier dat ze niet echt blijven hangen. Hij vond dan wel dat de campagne te ‘hard’ was, maar wat mij betreft had hij best wat van dat teveel aan felheid van Halsema en Rutte mogen overnemen.
Jan Marijnissen was wat mij betreft de winnaar van het debat. Hij was juist wél fel in zijn statements (vooral tijdens zijn discussie met Rutte over armoede) maar bracht ze op zo’n simpele en losse manier dat ze juist wel bleven hangen. Vooral tijdens zijn argumenten over de zorg was hij veel sterker dan Wouter Bos. Bos had het over de slechte situatie in verzorgingstehuizen, wat natuurlijk een belangrijk punt is, maar Marijnissen had het ook gelijk over waarom die werknemers zo weinig tijd hebben voor de ouderen: omdat ze teveel tijd moeten besteden aan het invullen van formulieren.
Blijft over: André Rouvoet. Zoals altijd een goed debater, maar met te weinig initiatief om betogen van andere lijsttrekkers te onderbreken. Ook zijn verhaal tijdens de ronde over ‘normen en waarden’, wat Balkenende initieerde, voegde niks toe aan een toch al onnozel onderwerp. Maar zijn keuze voor ‘integratie’ als debatonderwerp was op zo’n minst verrassend te noemen.
Als u na dit debat nu nóg niet weet wat u moet stemmen: Freek de Jonge is nog bezig op Nederland 1, en daarna komen Rutte en Bos bij Pauw en Witteman. En verrek: Freek de Jonge vindt Balkenende ook al ‘consistent onhandig’. Veel succes bij het stemmen morgen!
Weet u nog steeds niet op wie u moet stemmen? En bent u in het bezit van een laag IQ en en een internetconnectie? Probeer de Stomwijzer! Voor iedereen die geen snars verstand heeft van politiek, maar wel gaat stemmen!
Over vreemde platen gesproken: bovenstaande plaat kwam een vriend van mij tegen op een rommelmarkt. Wat een hoes! Ik kan me precies voorstellen wat voor conversatie er ongetwijfeld moet hebben plaatsgevonden tussen Maarten de Groot en zijn vrouw tijdens de fotosessie voor de hoes van In Gods Bloementuin.
Vrouw van Maarten de Groot: Waar is ons Hammondorgel gebleven? Maarten! Zit je nu al weer met ons Hammondorgel in de tuin?! Maarten de Groot: Ja, sorry schat. Het is voor die plaat, weet je wel. Vrouw: En mijn bloemen! Waar is dat bosje bloemen gebleven wat ik laatst heb gekocht voor mijn moeder? Maarten: Oh, uh, sorry. Dat staat hier op mijn orgel. Je krijgt het na de fotosessie terug! Vrouw: En mijn Chanoekia! Mijn negenarmige kandelaar! Waar is die gebleven? Maarten: Uh..
Als mensen voor het eerst bij mij thuis valt hun oog vaak als eerste op mijn televisie. Ik heb namelijk, in tegenstelling met de recente trend, geen 60-inch plasmascherm wat een gehele wand opvult, maar een heel klein beeldbuisje uit de jaren zeventig. Hij is destijds door mijn vader gekocht toen hij nog studeerde, en hij is inmiddels de vijftig gepasseerd, dus u kunt zich wel voorstellen hoe lang dat geleden is. Ondanks haar hoge leeftijd doet mijn NEC Farbfernseher (ze waren blijkbaar destijds goedkoper in Duitsland) het nog prima, hetzij met wat kleine aanpassingen. De volumeknop is al jaren geleden gesneuveld omdat ik daar altijd zo fanatiek aan draaide toen ik nog een kleine Hayke was, en ook de aan/uit knop is kaduuk dus ik moet de stekker uit het stopcontact halen om de televisie uit te zetten.
Een ander probleem zijn de zenderknoppen. In de jaren zeventig had je alleen nog maar Nederland 1, 2 en de Duitse zenders, dus waren wat stikkertjes naast die knoppen voldoende voor het complete zenderaanbod. Maar sinds de uitbreiding van de zenderpaketten zijn het aantal stikkertjes net zo snel gegroeid, zodat de huidige situatie is dat er grote oerwouden van stikkers om de knoppen heen zitten.
Toch heeft mijn oude televisie ook voordelen. Zo is bijvoorbeeld een nieuwe zender op de kabel alleen maar een kwestie van een nieuw stikkertje plakken, in plaats van door allerlei onhandige menu’s navigeren. Je kunt maar op één kanaal afstemmen, waardoor je langer geconcentreerd blijft zitten en gedwongen wordt om een goede keuze te maken. Bovendien is het heel handig als je (zoals ik) wel eens iets ontwerpt voor het scherm. Als je het op deze televisie test weet je zeker dat er niemand is die een slechter model heeft. Ook heeft deze televisie natuurlijk nog sprietantennes voor als de kabel uitvalt, alhoewel dat voordeel afloopt op 11 december. En omdat de knoppen draaibaar zijn (en dus heel fijn af te stellen) wil het nog wel eens lukken om een gecodeerd kanaal van de kabelmaatschappij zo af te stellen dat je een beetje kan meekijken.
Helaas paste mijn nieuwe DVD-speler niet op de antenne-ingang van de televisie (van SCART hadden ze in 1970 natuurlijk nog nooit gehoord) dus het leek er even op dat ik toch mijn vertrouwde Farbfernseher de deur uit moest doen. Maar daar heb ik gelukkig een oplossing voor gevonden: een kapotte videorecorder, die niet meer opneemt maar nog wel kan tunen, converteert het signaal van SCART naar het signaal wat de antenne-ingang aankan, en zo kan ik dus ook allerlei hypermoderne DVD’s afspelen op mijn oude televisie. En ik kan ook zappen. Wat toch stiekem wel fijner is dan elke keer opstaan en naar de televisie toelopen als er reclameblokken zijn.
Ever had any problems copy-pasting text from Microsoft Word into WordPress? Microsoft Word copies the text to WordPress, but it also copies non-compliant HTML tags which could cripple your carefully constructed layout. Fortunately there is a plug-in that makes copy-pasting from Word into WordPress a breeze: the WordPress Plain Text Paste plug-in. Try it. It really works.
Da’s balen. Heb ik op een rommelmarkt een plaat gekocht waarop Willi Boskovsky de grootste hits dirigeert van de Strauss-familie, blijkt er En van je hoempa hoempa in te zitten van de Beierse Dorpmuzikanten. Dus als iemand de bewuste plaat van Strauss heeft gevonden in zijn exemplaar van En van je hoempa hoempa: laat het even weten, dan kunnen we ruilen.
Mijn afstuderen ging uiteraard niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk heb ik wel een mooie DVD en scriptie geproduceerd, maar van een leien dakje ging het zeker niet. Vooral de eerste maanden waren moeilijk, want het leek allemaal maar niet van de grond te komen. Omdat ik na mijn afstuderen veel andere mensen heb zien ploeteren bij het afstuderen leek het me aardig om eens samen te vatten wat mij heeft geholpen om mijn afstuderen te overleven.
‘Afstuderen’ bedoel ik in de breedste zin: mijn eindproduct bij het afstuderen was niet alleen een scriptie, maar vooral een creatief object, dus deze regels kan je net zo goed toepassen voor een onderzoek, of een maquette. De grondbeginselen blijven hetzelfde: hoe weet ik wat ik moet doen, en hoe doe ik dat zo goed en efficiënt mogelijk? Elf tips om je daar bij te helpen.
Een goed begin is het halve werk.
Het lijkt een open deur, maar een goed begin is écht het halve werk. Als je eenmaal weet wat je wil lukt de rest meestal wel. Afstuderen is één procent inspiratie en negenennegentig procent transpiratie. Een paar weken ‘zweven’ als je net begint is normaal, maar als je na vier maanden nog steeds geen idee hebt wat je de komende maanden gaat doen heb je een probleem. Probeer snel tot de kern van de zaak te komen: wat wil je gaan schrijven of maken?
Vertel aan zoveel mogelijk mensen wat je (vage) ideeën zijn.
Veel mensen zijn huiverig om hun eerste ideeën nog niet te delen met de rest van de wereld als ze nog niet ‘af’ zijn. Dat is logisch, maar juíst die vage ideeën vertellen aan andere mensen kan inspirerend werken. Als je namelijk vaak je eigen verhaal vertelt aan andere mensen merk je dat je steeds beter je idee leert te communiceren. Je zal merken dat je non-relevante zaken weg laat in je betoog, en dat je de dingen die écht belangrijk zijn er juist meer uit gaat lichten. Zeker als je toehoorder niet alleen je scriptiebegeleider is of een mede-student kun je soms verrassende vragen krijgen die je anders laten kijken naar je onderwerp. Misschien dat je kapper of je tennisleraar wel een bepaalde invalshoek bied die je kan gebruiken om verder te komen.
Vraag hulp
Mensen die jou hebben begeleid, zoals leraren, weten vaak meer van je dan je denkt. Zeker als een leraar je al een paar jaar kent weet hij of zij vaak goed genoeg waar je op vast loopt en kan hij of zij misschien wel een bron leveren die je nog niet had aangeboord. Maak een afspraak met een oud-leraar en vraag of hij of zij je verhaal wil aanhoren, de meeste mensen zullen alleen maar blij zijn om iemand die ze kennen te helpen.
Maak een planning, en hou je er aan.
Het is heel verleidelijk, nu dat je heel veel tijd ‘over’ hebt, eindelijk eens die fiets te gaan opknappen, of dat plafond te witten, of naar dat museum te gaan waar je nog nooit geweest bent. Maar je moet je wel beseffen dat alle tijd die je nu ‘vrij’ hebt eigenlijk moet gebruiken om aan je afstuderen bezig te zijn. Het is natuurlijk geweldig om later te kunnen vertellen dat je vier maanden niks gedaan hebt en de laatste maand elke nacht heb doorgehaald om af te studeren, maar op dat moment zelf zul je niet zo blij zijn. Plan je tijd in, en hou je ook aan die tijden, je zult merken dat tussen 9 en 5 werken eigenlijk best productief is.
….maar maak er geen obsessie van
In plaats van niks te doen zou je ook juist de andere kant op kunnen gaan: dag en nacht, op elk moment van de dag ben je obsessief bezig met de juiste woorden te bedenken, de beste dingen te bedenken, en alles perfect te maken. Maar zo obsessief bezig zijn met je afstuderen is vaak weinig inspirerend, en je zult snel tegen een hoop blokkades aan lopen. Als je klaar bent met je planning, neem dan ook gewoon tijd vrij en ga je fiets repareren of dat museum bezoeken. Bovendien kan inspiratie uit onverwachte hoek komen: misschien krijg je tijdens het witten van dat plafond wel opeens die geniale ingeving die je op het juiste pad zet.
Verdeel grote taken in kleine stapjes Het staat natuurlijk prachtig op die planning die je net hebt gemaakt: ‘hoofdstuk 1 scriptie schrijven’, en ‘onderzoeksvoorstel samenstellen’. Maar hoe ga je daarin te werk? Niemand begint vanuit het niets een scriptie te schrijven: je moet eerst boeken lenen, hoofdstukken doorlezen, samenvattingen maken, langsgaan bij vakexperts, etcetera. Het werkt een stuk beter als je al die grote taken eerst verdeelt in kleine stapjes door bij alles telkens te denken wat de volgende fysieke actie is die je moet ondernemen. Schrijf dus op: ‘naar bieb om boek x over z te lenen’ in plaats van ‘onderwerp z onderzoeken’.
Werk samen
Afstuderen kan eenzaam zijn, maar dat hoeft niet. Je bent niet de enige die afstudeert. Als je een plek hebt waar je heen kan, zoals een bibliotheek of een werkruimte, maak daar dan ook gebruik van. Op die manier kun je jouw frustraties kwijt bij andere mensen (en zij bij jou!). Organiseer bijvoorbeeld eens per week een koffieuurtje, zodat je van iedereen kan horen waar hij of zij mee bezig is. Dat kan ook heel inspirerend werken.
Besteed niet te veel aandacht aan bijzaken
Het is heel verleidelijk om je vooral niet te gaan richten op waar je afstuderen over gaat, en je bijvoorbeeld helemaal te storten op het goed inrichten van je werkplek, het maken van een prachtige planning (met allemaal kleurcodes voor verschillende taken) en het opvragen van literatuur waarvan je weet dat je het nooit gaat lezen. Je er toe zetten om na te denken over je project is moeilijk, maar als je dat nooit doet zul je ook nooit een bevredigende onderzoeksvraag kunnen stellen, en nooit tot de kern van de zaak komen.
Als je een scriptie schrijft: print ‘m uit
Tegenwoordig zal niemand meer een scriptie typen, of met pen schrijven. Maar lezen van een computerscherm is nog steeds minder prettig dan van papier, en daarom zie je ook minder fouten in de tekst. Print je scriptie daarom uit als je grote stukken hebt geschreven en corrigeer met pen. Het zal je verbazen hoeveel je over het hoofd hebt gezien.
Laat je werk proeflezen
Één of meerdere ‘proeflezers’ kunnen het verschil maken tussen een goed afstudeerwerk en een uitmuntend afstudeerwerk. Kijk of je mensen kan vinden die goed zijn in bepaalde aspecten van het ding wat je maakt. Zoek bijvoorbeeld iemand die goed is in spelling en grammatica als je een scriptie schrijft, of iemand die wat af weet van muziek als je een muziekstuk moet componeren. Vraag je proeflezer(es) zo eerlijk mogelijk te zijn, en vraag vooral door over de zwakke punten van je werk.
Geniet!
Complete vrijheid hebben in het maken van iets is heel beangstigend, maar uiteindelijk een heerlijke ervaring. Het is bovendien een positie die je maar weinig zal tegenkomen in je loopbaan. Een afstudeerwerk is geen levensdoel, maar wel een geweldige ervaring die je (hopelijk) nog lang zal bijblijven. Wellicht hebben deze tips je daar wat bij geholpen.
Thom de Graaf wordt hoogstwaarschijnlijk de nieuwe burgemeester van Nijmegen. Naar goed D66-gebruik zei De Graaf anderhalf jaar geleden nog dat hij niet meer terug in de politiek wilde, maar blijkbaar zijn het de genen die hem naar de waalstad roepen, want zijn vader was ook al eens burgemeester van Nijmegen, van 1968 tot 1977. Zijn vader was overigens geen lid van D66, maar van de KVP.
Nog wat meer nutteloze feitjes over de toekomstige burgervader van Havana aan de Waal: in deze tijden waar zelfs de SGP een eigen weblog heeft, is het opvallend dat De Graaf helemaal niks heeft met het internet. Zijn domeinnaam verwijst nog steeds door naar zijn site bij Binnenlandse Zaken, waar alleen staat dat hij is afgetreden. Zijn biografie bij Parlement.com leert ons dat hij op dit moment drie dagen per week werkt als adviseur bij PricewaterhouseCoopers, er voor wil zorgen dat kinderen niet doof worden en dat hij oud-lid is van Carolus Magnus, de enige vereniging in Nijmegen waar mannen nog jasjes en dasjes dragen.