Zes dingen die ik heb geleerd bij Frontend United

Ondertitelaars van Nederland: doe dit niet

Ik was twee dagen bij Frontend United in Utrecht. Dat is een grote conferentie over webontwikkeling. Hier zijn zes dingen die ik er heb geleerd.

  1. Accessibility (toegankelijkheid) houdt in dat je jouw website zo bouwt dat deze ook bruikbaar is voor mensen met een (tijdelijke) handicap. Klinkt logisch maar gebeurt helaas lang niet altijd. Maar dat gaat veranderen. Vrijwel alle sprekers hadden het als onderwerp. En vanaf 23 september 2019 moeten veel meer sites toegankelijk zijn.
  2. Browsers kunnen steeds meer wat tot nu toe alleen apps konden. Sites kunnen bijvoorbeeld ook werken als je geen internet hebt. Probeer het maar eens. Ga naar Trivago, zet je wifi of 4G uit en herlaad de pagina. Veel plezier.
  3. Ook met CSS (dat de visuele stijl aan een pagina geeft) kun je steeds meer. Met Houdini kun zelf nieuwe CSS-mogelijkheden programmeren, zodat websites visueel nog veel toffer kunnen worden. Nog een beetje toekomstmuziek, want lang niet alle browsers ondersteunen Houdini.
  4. Ontwerpers opgelet: wat wel al kan in (bijna) alle browsers is gebruik maken van CSS Grid. Je kunt dan eindelijk fatsoenlijke tijdschrift-achtige layouts met rijen en kolommen maken in een webpagina zonder dat ontwikkelaars lelijke hacks moeten gebruiken.
  5. Ik bouw al jaren statische sites die niet afhankelijk zijn van een CMS en daarom zowel veilig als snel zijn. Maar sinds deze conferentie weet ik dat die methode een naam heeft: JAMstack.
  6. Mijn favoriete lezing: Waarom ‘ik bouw die functie van Airbnb na’ nooit een goed idee is.

Twee maanden reizen door Zuid-Amerika: Bolivia, Peru en Ecuador

Begin 2019 reisde ik samen met mijn vriendin twee maanden door Bolivia, Peru, Ecuador en Spanje. Elke twee weken schreef ik een reisverslag voor De Circulaire, mijn nieuwsbrief. Dit artikel is een compilatie van al die verslagen.

Centrum van Santa Cruz, gezien vanuit de toren van de San Lorenzo-kerk.

Onze reis begon in de grootste stad van Bolivia: Santa Cruz. We begonnen daar omdat het op slechts 400 meter hoogte ligt. Hoogteziekte kan echt een probleem zijn, en aangezien veel delen van Bolivia op meer dan 4000 meter hoogte liggen is het beter om het rustig op te bouwen. Iberia vloog echter niet met een overstap vanaf Amsterdam naar Santa Cruz, dus besloten we nog een paar dagen in Madrid door te brengen. Ook geen straf. We hadden zelfs tijd voor een dagtripje naar Toledo, maar daar hing een klein beetje mist.

De prachtige historische stad Toledo (Spanje), maar dat is niet te zien door de fucking mist.
Eten op de markt van Santa Cruz.
Onze gezellige huisgenoten in de ecolodge in Samaipata.

Santa Cruz was verder een beetje saai, afgezien van de dierentuin. Daarna zijn we met een trufi (een soort van kruising tussen een minibusje en een SUV) op 31 december naar Samaipata gegaan, een mooi dorpje op de weg naar Sucre. Heel Santa Cruz doet dat ook, dus het was moeilijk om een hotel te vinden voor oudejaarsavond. Onze enige optie was een ‘ecolodge’, die bestond uit een vies huisje 3 kilometer buiten het centrum zonder stromend water en elektriciteit. Op de vloer lagen dode vlinders, op het toilet zaten grote spinnen. Gelukkig was het maar voor één nacht.

Daarna twee nachten in een heel leuk guesthouse gezeten bij mensen thuis. Een mooie trekking gemaakt in het Amborópark, naar de archeologische plek El Fuerte geweest en naar een mini-dierentuin geweest met aapjes en neusberen (zie de foto’s onderaan deze nieuwsbrief).

In Bolivia groeien deze plantjes op de stroomdraden! Later begreep ik dat dit bromelia’s zijn, net zoals de ananas.

Vanuit Samaipata gingen we met de nachtbus naar Sucre. Onderweg moest nog een onderdeel worden vervangen. In Sucre zaten we in een heel fijn hotel met veel andere reizigers en volgden een paar dagen een uitstekende een-op-een cursus Spaans.

Lama’s knippen bij het busstation van Potosí.

De volgende stop was Potosí, de hoogste stad ter wereld op 4.100 meter.

Potosí is vooral bekend vanwege de Cerro Rico, de berg waar tin en zilver uit word gehaald. We hadden een tour door de mijn kunnen doen, maar lichte claustrofobie (ondergetekende) en astma (mijn vriendin) weerhield ons ervan. We hebben in plaats daarvan een rondleiding gehad door het Casa National de Dinero (“De Munt”, in goed Nederlands) wat ook heel leuk was. Ook heel leuk: onze AirBnB. Helaas zat die wel boven een karaokeclub. Gelukkig hield het valse gezang op na 1 uur ‘s nachts. 

Uitzicht net buiten Tupiza.

De volgende stop was Tupiza, dicht bij de grens met Argentinië. Vanaf daar zouden we onze vierdaagse tour naar de zoutvlaktes van Uyuni gaan maken, wellicht de belangrijkste attractie van Bolivia.

We verbleven in Hotel Butch Cassidy (men zegt dat hij en de Sundance Kid hier in de buurt zijn omgelegd). Het hotel was heerlijk, maar helaas was er een groot folkfestival in de buurt dat tot 4 uur ‘s nachts doorging; een half uur later begonnen de werklui op de bovenste verdieping aan de uitbreiding van het hotel.In Tupiza deden we ook nog een klein tourtje. Tot onze verrassing bleek onze gids dezelfde jongen te zijn die ons had ingecheckt in het hotel. Een kleine wereld!

Ons verblijf in Tupiza was de opmaat tot het voorlopige hoogtepunt van deze reis: de vierdaagse tour naar de zoutvlaktes van Uyuni.

Die zoutvlaktes zouden we pas zien op de laatste dag. Eerst zouden we drie dagen hebben met prachtige landschappen en lama’s, urenlang rijdend over hobbelige weggetjes in een landcruiser.

Ik heb per ongeluk de voorkant van de Lonely Planet gefotografeerd.

De eerste twee dagen verliepen heel voorspoedig. De enige andere reisgenoot in onze auto was Steve, een stevige Brit van in de vijftig, vol met mystieke tatoeages. Hij was al vier jaar aan het reizen. Hij was veel in Nepal en India geweest, en liep alle mogelijke caminos in Spanje en Portugal richting Santiago de Compostella. Onze guide en chauffeur was Santos, een kleine schriele Boliviano die wat tanden miste door het onophoudelijk kauwen op cocabladeren. Het gezelschap werd compleet gemaakt door Sonia, de goedlachse kok met sproetjes. 

We waren niet de enige auto van Tupiza Tours. De andere auto werd bestuurd door een man die óók Santos heette. In die auto zaten vier mensen: de Argentijnse Marcella, de Spaanse Mònica en het Franse stel Laurent en Héloïse. 

Buitenaards landschap met geisers.

Er waren veel hoogtepunten op die eerste twee dagen: de lamaboerderij, rode meren (van het ijzer) vol met flamingo’s en vooral de natuurlijke geisers in een landschap dat soms wel op een andere planeet leek.

De derde dag verliep wat minder voorspoedig: we waren nog niet eens een half uur weg uit het dorpje toen de auto van de andere Santos stil langs de weg stond. Beide achterwielen stonden volledig schuin. Er was maar één conclusie mogelijk: de complete achteras was gebroken. De auto kon onmogelijk verder. 

Vervolgens moesten we wachten op een andere auto. In de tussentijd konden we verpozen in een hostel in de buurt waar een oud toiletvrouwtje zonder tanden met een looprek haar 2 Boliviano’s incasseerde.

Na vijf uur wachten was er eindelijk een andere auto. De route moest een flink stuk worden ingekort, maar gelukkig zagen we nog wel een aantal bizarre rotsformaties.

Ons hotel was net zo kut als de schilderingen.
Pas op voor rotte bananen!

Helaas was de ellende nog niet over, want we kwamen terecht in het afschuwelijke Hotel ‘Pato Donald’ (Oom Donald). Op de lakens zaten haren en oranje vlekken, bij de naar poep stinkende wc’s kon je uitglijden over een rotte banaan en de hele sfeer had griezelig veel weg van het hotel in ‘The Shining’. Tot overmaat van ramp had onze kok (die verder alleen maar fantastisch had gekookt) suiker in de spaghettisaus gedaan. 

Zonsopkomst in de Salar.

Gelukkig konden we de volgende dag naar de Salar de Uyuni, een zoutvlakte van meer dan 10.000 vierkante kilometer. We hadden geluk, want het had geregend, waardoor de vlakte op een gigantische spiegel leek.

Onze kok Sonia “bakt” ons.

Heel populair in de Salar is het om gekke perspectief-foto’s te maken, omdat je de horizon zo goed kan zien. Van te voren dacht ik natuurlijk: ‘aan die onzin ga ik niet meedoen’, om vervolgens op de Salar aan alle onzin mee te doen.

Uitzicht vanuit ons straatje in La Paz.

Na vier dagen tour werden we afgezet in het stadje Uyuni, dat dicht bij de Salar ligt. We wisten al dat er in Uyuni helemaal niks te doen viel, dus we hadden maar één nacht in een hotel geboekt om een beetje bij te komen. Maar toen we eenmaal hadden ingecheckt en even rondliepen door het stadje bedachten we ons opeens iets. Er gaan alleen maar nachtbussen naar La Paz, en dat zou betekenen dat we niet alleen de huidige dag zouden moeten doorbrengen in Uyuni, maar ook de volgende dag tot laat in de avond. Wat gaan we in vredesnaam doen in dat stadje, dat alleen bestaat uit deprimerende pizzarestaurants voor toeristen?

Dus deden we iets extreems decadents: we hebben heel fijn gedoucht in ons hotel, betaald, en toen zijn we dezelfde avond nog vertrokken met de nachtbus naar La Paz. Slopend (want tijdens de tour hadden we ook niet veel geslapen) maar heel fijn. Wat waren we blij toen we in La Paz aankwamen. 

De kabelbaan in La Paz: de Teleferico.

La Paz is officieel niet de hoofdstad van Bolivia (dat is Sucre), maar het is wel het kloppend hart van het land waar de regering zetelt. La Paz is gebouwd in een dal in het midden van hoge bergen. In die hoge bergen ligt een stad die nog groter is dan La Paz: El Alto. De beide steden zijn volledig met elkaar vergroeid. Omdat het verkeer altijd vaststaat en het onmogelijk is om in die steile bergen een metro te bouwen hebben ze voor een interessante manier van openbaar vervoer gekozen: een systeem van zo’n tien kabelbaan-lijnen die dwars over de stad zijn aangelegd op hoge palen. 

Worstelaars met bolhoedjes: cholita’s

La Paz had behalve een aantal interessante musea ook nog een trekpleister in de vorm van het Cholita worstelen: Boliviaanse dames die, volledig in traditionele kledij met bolhoed, met elkaar op de vuist gaan. Het was een spektakelstuk waar ook mannen uitgedost als vliegen (!) en ‘El Lobo’ (de wolf) het moesten opnemen tegen een dozijn cholita’s en andere worstelaars. 

De zonnepoort in Tiwanaku.

Zo’n zestig kilometer buiten de stad ligt een van de belangrijkste archeologische plaatsen van het land: Tiwanaku, met de beroemde zonnepoort. Als je dat ziet is het eerste dat je denkt: Inca’s. Maar deze beschaving was minstens duizend jaar ouder. Wat ik niet wist is dat de Inca’s dezelfde methode hanteerden als de Romeinen in Europa. Ze waren heel goed in het opnemen van tientallen andere beschavingen in het precolumbiaanse Latijns-Amerika en vervolgens hun goden, gebruiken en mythologie overnemen. Net zoals de Romeinen dat deden met de Grieken en de Egyptenaren. De Inca’s hebben eigenlijk maar relatief kort hun hoogtepunt gehad: van ruwweg het begin van de vijftiende eeuw tot in 1526 de Spanjaarden onder leiding van Francisco Pizarro in Panama aankwamen. Binnen vijftig jaar was het wel gedaan met de Inca’s.

Uitzicht op Isla del Sol.

Voordat we definitief Bolivia verlieten maakten we nog één stop. Op de grens tussen Peru en Bolivia ligt het Titicacameer, meer dan 3.800 meter boven de zeespiegel en daarmee het hoogste meer ter wereld. In dat meer ligt het prachtige Isla del Sol, een oase van rust, ezeltjes (er is geen autoverkeer) en een gigantische steile trap van een miljoen treden die we helaas eerst mét backpack moesten beklimmen voordat we ons hotel bereikten. Maar zoals je op de foto kon zien was het dat allemaal waard, want dat was het uitzicht vanuit zo’n beetje alle hooggelegen delen van het eiland.

De ruïnes van Saqsaywaman in Cusco, door grapjassen uitgesproken als “Sexy woman”.

Daarna reden we met een nachtbus naar de Inca-hoofdstad van Peru: Cusco (of Cuzco, of Qosqo, ze veranderen de spelling ongeveer elk decennium). De bekendste Inca-ruïnes, waaronder Machu Picchu, liggen allemaal in de buurt van deze middelgrote stad. 

Peru en Bolivia lijken op elkaar, maar zijn toch beduidend anders. Het eerste dat opvalt voor ons gierige Hollanders is de prijs: alles in Peru is twee keer zo duur. Daar staat wel tegenover dat in Peru alles nét iets rijker en moderner is. Helaas ook wel wat toeristischer: het centrale plein van Cusco kun je niet overlopen zonder minstens twintig keer te worden verleid om een massage te nemen, een tour naar Machu Picchu te boeken of in een restaurant te gaan eten.

Wel heel fijn is het eten: na bijna vier weken Bolivia was ik wel echt hélemaal klaar met de eindeloze borden rijst met een gekookte aardappel en een milanesa, een soort schnitzel. De keuken van Peru is veel gevarieerder en kent een grotere rijkdom aan ingrediënten. 

Peru is veel toeristischer dan Bolivia, maar minder dan ik dacht. Peru heeft namelijk slechts vier miljoen bezoekers per jaar. Om dat in verhouding te brengen: dat is minder dan Albanië (4,1), Kazachstan (4,6) en Bulgarije (7,1). Bolivia heeft er nog veel minder: iets minder dan een miljoen. Er gaan elk jaar meer mensen naar het Anne Frank huis (1,2 miljoen) dan naar het hele land Bolivia. In Machu Picchu komen elk jaar nét iets meer bezoekers dan aan dat kleine grachtenpandje aan de Prinsengracht in Amsterdam: 1,4 miljoen.

De kuttrein naar Machu Picchu.

En ja, in Machu Picchu zijn we natuurlijk ook geweest. Helaas deed dat wel wat pijn in de portemonnee. Per persoon ben je minimaal $200 kwijt, en dan heb je nog geen gids, overnachting of maaltijd.

Waarom is dat zo duur? Entree tot de plek zelf valt nog mee: $38. Een flinke som, maar gezien de omvang van de locatie en het onderhoud dat er moet gebeuren niet onredelijk. 

Nee, wat het vooral zo duur maakt is de fucking trein. Elk bezoek aan Machu Picchu begint bij het stadje dat aan de voet van de Inca-ruïne ligt: Aguas Calientes, ook wel bekend als Machu Picchu pueblo. Naar het dorpje gaan geen wegen, maar er is wel een treinstation. En daar zit ‘m de kneep: het goedkoopste retourtje van Cusco naar Aguas Calientes kost minimaal $140. Voor dat geld mag je eerst twee uur in een bus zitten (PeruRail noemt dat heel eufemistisch een ‘bimodal service’) van Cusco naar het station van Ollantaytambo. Met een willekeurige collectivo vanuit Cusco zou je dat hoogstens een euro of vijf kosten. Daarna zit je slechts 90 minuten in een boemeltreintje op enkelspoor naar het station van Aguas Calientes. 

Het probleem is dat de Peruaanse overheid aan het eind van de vorige eeuw de route heeft geprivatiseerd en uitbesteed aan twee private bedrijven: IncaRail en PeruRail. Samen hebben ze het duopolie op de enige manier om bij Machu Picchu te komen, en kunnen ze dus vragen wat ze willen. De enige twee alternatieven zijn een trekking zoals de Inca Trail (dan ben je vier dagen aan het wandelen) of een idiote route waarbij je eerst 6 uur in een busje zit, om vervolgens te worden gedropt bij het treinstation van een energiecentrale waarna je 2 uur langs het spoor kan lopen of een treinkaartje kan kopen voor $25.

Als je dan eenmaal in Aguas Calientes bent moet je twintig minuten met de bus naar de ruïne toe (of twee uur lopen), en voor dat retourtje betaal je $24.

Een of andere ruïne in Peru.

Maar goed, als je eenmaal bent bekomen van al die pijn aan je aars is het natuurlijk een prachtige ervaring. Het verhaal achter Machu Picchu is interessant: het is een van de weinige plekken in Peru die niet door de Spanjaarden is geplunderd, omdat het op zo’n afgelegen locatie ligt. In 1911 herontdekte de Amerikaanse Yale-docent Hiram Bingham de plek met de hulp van een lokaal 11-jarig jongetje. Er zijn nog veel meer grote Inca-ruïnes rond Machu Picchu. Het nabijgelegen Choquequirao schijnt bijvoorbeeld net zo indrukwekkend te zijn, maar is alleen te bereiken via een zware trekking van 2 dagen, en niet via, zeg, een trein waar je $140 voor moet uitgeven. Het verhaal gaat dat er in de toekomst een kabelbaan naar zal worden aangelegd. 

De ruïnes zijn indrukwekkend, maar wat Machu Picchu onderscheidt van de andere Inca-ruïnes (die wellicht net zo mooi zijn) is de locatie. Midden op een plateau op een bergtop, met in de ochtend een mysterieuze mist die over de plek valt. Op de achtergrond zie je de hele tijd de imposante bergtop van Huayna Picchu (die je kan beklimmen als je echt heel stoer bent). 

Colca Canyon, waar je soms een condor ziet (maar meestal niet).

Na bijna een week in Cusco en omgeving te hebben gezeten reisden we verder naar Arequipa, de tweede stad van Peru. Eigenlijk was dat best een verademing: de stad is levendig en druk, maar lang niet zo toeristisch (en prijzig) als Cusco.

Vanuit Arequipa deden we een tour door de Colca Canyon, een van de diepste kloven ter wereld en een plek waar je condors kan spotten. We wilden eigenlijk het liefste een trekking maken, maar door het regenseizoen werd het toch vooral een tour met een busje. Het was desondanks prachtig, want er is genoeg te zien rondom de Colca-vallei. We bezochten onder andere een kerk waar de voorbereidingen van het Katholieke feest Maria-Lichtmis in volle gang waren. Er werd een Mariabeeld aangekleed voor een processie en vrouwen werden met dat zware beeld op hun rug geaaid (!) voor goede vruchtbaarheid. Het Christendom en de traditionele gebruiken lopen hier dwars door elkaar. 

Verder hebben we gemountainbiked én inderdaad een aantal condors gezien. Wel van ver hoor, als je ze van dichtbij wilt zien kun je beter naar de dierentuin.

De verplichte lamafoto.
Paracas. Of: waar je niet dood wil worden gevonden.

Daarna door naar Paracas, een klein badplaatsje in de buurt van Lima. Dat was fucking verschrikkelijk. Okay, het was niet zo erg als het dorp Uyuni in Bolivia, maar uitsluitend toeristenrestaurants, stoffige zandweggetjes en heel veel blaffende honden is geen feest.

De Islas Ballistas: de reden waarom we toch in Paracas waren.

Gelukkig konden we wel een boottochtje maken naar de Islas Ballistas, ook wel eufemistisch bekend als de ‘poor mans Galapagos’. Onderweg naar het eiland stopten we kort bij de candelabra, een rotstekening van 180 meter hoog. Het lijkt een beetje op -maar is niet gerelateerd aan- de Nazca-lijnen. Niemand weet wie het ding ooit heeft gemaakt en hoe oud het is, maar indrukwekkend is het zeker.

Daarna waren we bij de eilandjes. Helaas mag je niet aanmeren, maar de boot komt heel dichtbij dus kun je goed kijken naar alle bijzondere vogels en zeeleeuwen. De rotsen zitten helemaal vol met vogelpoep, een bijzonder vruchtbaar spulletje dat elke zeven jaar wordt geoogst en verkocht voor goed geld. De kolonie zeeleeuwen maakt ondertussen een afgrijselijk kabaal. Heeft u de dino’s wel eens horen brullen in Jurassic Park? Juist, zo klinken zeeleeuwen dus.

Hoofd van een mummie in het Museum Larco in Lima.

Paracas konden we na twee nachten gelukkig ‘s ochtends vroeg ontvluchten met een kort ritje naar de hoofdstad van Peru: Lima. Lima is gigantisch, en een stuk moderner en Amerikaanser in vergelijking met andere Latijns-Amerikaanse steden waar we zijn geweest, zoals La Paz en Arequipa.

We bezochten het Museum Larco, met voornamelijk Inca en pre-Inca kunst. Het was zonder twijfel het beste museum dat we op reis hebben gezien. Alle stukken waren in topconditie (een beetje griezelig goed misschien zelfs wel), uitstekend geëxposeerd, en voorzien van goed leesbare informatie in niet minder dan acht talen. 

Ons verbraste pensioen.

We wilden op reis één keer splurgen in een goed restaurant. Dat kon bij Astrid & Gastón, het eerste restaurant van Gastón Acurio, zeg maar de Jonnie Boer of Sergio Herman van Peru. We namen het proefmenu van 15(!) gangen en kregen vooral heel veel vis en vlees, op typisch Peruaanse wijze bereid. Vooral het vlees en het broodmandje met smeersels (gerookte tomaat met anijs) waren subliem. Ik denk dat het nét niet een ster zou kunnen krijgen bij de Michelin, daarvoor waren er soms iets te veel smaken op het bord en de desserts waren matig. Voor zo’n $150 per persoon verwacht je toch nét iets beters. Maar desondanks: heerlijk.

Inwoner van de Galapagos (onder) met toeristen (boven).

Via Quito (de hoofdstad van Ecuador) vlogen we naar de Galapagos-eilanden. Dat was niet gepland, want in mijn hoofd waren de eilanden belachelijk duur, en kon je er alleen rondreizen met een krankzinnig dure cruise van minstens 3000 dollar.

Maar dat bleek flauwekul. Je kan prima zelfstandig rondreizen op de Galapagos. En dat kan zelfs voor minder dan $100 per dag.

Alles veranderde toen we in Cusco Martin tegenkwamen, een Britse wandelaar die zonder cruise en on the cheap de Galapagos had gedaan en ons ervan overtuigde dat wij het ook moesten doen. Martin was tevens de dierenarts van de vele katten van Stanley Kubrick en moest ze regelmatig behandelen. Er was dan meestal niet zo veel aan de hand, want Kubrick was een notoire hypochonder (ook voor zijn huisdieren). 

Die twee dingen hebben verder niks met elkaar te maken, maar u snapt dat ik die anekdote niet onvermeld kon laten.

Blue-footed boobies. En dus stof voor eindeloos veel flauwe tietengrappen op shirts die je op de eilanden kan kopen.

Ondanks dat de Galapagos betaalbaar bleken te zijn, zijn ze niet goedkoop. We betaalden zo’n $500 per persoon voor de vluchten, en dan nog $120 voor entree en visa. Er zijn overigens geen wachtlijsten: er is een beperkt aantal dagelijkse vluchten (die in het hoogseizoen vast snel vol raken), maar wij konden gewoon een week van tevoren boeken.

Alles op het eiland is duur, want er wordt heel weinig op de Galapagos zelf geproduceerd en dus wordt het overgrote deel geïmporteerd. Voor dezelfde fles wijn die in de Albert Heijn €5 kost betaal je in de supermarkt makkelijk $25. En zelfs voor een simpele hamburger met frietjes betaal je al snel $15.

Wel duur, maar niet onoverkomelijk. Want als je eenmaal op de eilanden bent kun je makkelijk zelf natuurschoon in de buurt bekijken (gratis) of dagtripjes doen (betaalbaar). Op een gegeven moment ontdek je wat goedkoop is in de supermarkt (in ons hotel waren op een avond drie koppels pasta met tonijn aan het eten). In totaal hebben we hier een week gezeten en waren we per persoon zo’n $500 kwijt. 

Wil je even lekker zitten? Kan niet. Zeeleeuwen geven geen fuck om jouw vermoeide beentjes.

En dat was het allemaal heel erg waard, want de Galapagos zijn een van de meest bijzondere plekken waar ik ooit ben geweest. Pas in de zestiende eeuw werd de eilandengroep voor het eerst permanent bewoond, waardoor de natuur hier volledig haar gang kon gaan en er vele soorten evolueerden die alleen hier voorkomen. Je kunt je heel goed voorstellen waarom Darwin juist hier zijn inspiratie kreeg voor zijn evolutietheorie.

Omdat de mens pas heel recent voorkomt op de eilanden zijn de dieren totaal niet schuw. Zeeleeuwen liggen letterlijk op bankjes te chillen bij de haven en zeeleguanen steken zo de straat over. Je hoeft maar te gaan snorkelen bij een strand op loopafstand van je hotel en je ziet scholen kleurige vissen en rifhaaien. 

Een zeeschildpad op het eiland Isabela.

Het grootste deel van de week zaten we in Puerto Ayora op het eiland Santa Cruz, de grootste stad van de archipel. We wilden ook twee dagen op het eiland San Cristobal zitten, maar door een domme fout van de rederij kwamen we terecht op de verkeerde boot, naar het eiland Isabela. Niks mis mee, want ook prachtig, maar wel een beetje sneu voor het geboekte hotel op het andere eiland. 

We hebben er het beste van gemaakt, want op Isabela maakten we een prachtige bootexcursie naar een stuk zee met lavasteen-eilanden. We konden snorkelen tussen de pinguïns, haaien, kreeften en zeeschildpadden.

Ze verkochten niet alleen textiel op de markt van Otavalo.

Na een week vlogen we terug naar Quito, waar we de textielmarkt van Otavalo bezochten. Daarna gingen we door naar de Quilotoa-loop. Dat is een gebied in het midden van Ecuador waar je mooi kunt wandelen.

Boomstambrug bij de Quilotoa-loop.

De Quilotoa-loop bestaat uit drie routes die je kan lopen in evenveel dagen. De instructies die je van je hotel meekrijgt zijn verre van duidelijk, dus de (soms aanwezige) routebordjes, een (offline) kaart op je telefoon en hulp van mede-wandelaars en de lokale bevolking is onontbeerlijk. Een beetje een avontuur dus.

Maar het is ook een toeristentrekpleister in de dop. Alles lijkt klaar te zijn voor een enorme toestroom van toeristen, maar heel toeristisch is het nog nét niet. De hotels zijn goedkoop, uitstekend en zowel het ontbijt én diner is inbegrepen in de (lage) kamerprijs. 

Het meer in de Quilotoa-krater.

Wij deden twee van de drie dagen. Of beter gezegd: mijn vriendin deed dat. Ik was al een beetje ziekig, en na de eerste dag zo compleet gesloopt dat ik de tweede dag per taxi deed. Dat was verstandig, want het parcours op de laatste dag was heel zwaar, zeker in combinatie met de gebrekkige instructies. De ‘steep sandy slope’ met slippend zand waar mijn vriendin met gevaar voor eigen leven en érg veel moeite omhoog klom bleek bovenop de berg naast een veel makkelijker route te liggen.

Mijn taxiritje was iets makkelijker. Bovendien bleek de chauffeur verkiesbaar te zijn in de lokale gemeenteraad én hij reed me rond in zijn eigen campagnewagen, volgeplakt met foto’s van zichzelf en een megafoon. Om de tien minuten stopte hij om passanten erop te wijzen dat ze op hem moesten stemmen (“Vota por mí! Lista cinco!”).

Uitzicht vanaf het eindpunt van de TelefériQo in Quito.

Na de Quilotoa-loop gingen we terug naar Quito om daar nog een paar dagen door te brengen. Van de grote Zuid-Amerikaanse steden die we bezochten vond ik Quito het leukst. De stad is gigantisch (meer dan 2,5 miljoen mensen) maar minder heftig verdeeld in rijk en arm zoals Lima maar ook weer niet zo armoedig als La Paz. Er is overal activiteit, en het oude centrum is erg mooi, met koloniale gebouwen. Sinds 1978 staat Quito op de UNESCO werelderfgoedlijst. 

In Quito gingen we met de TelefériQo (kabelbaan) naar de top van een heuvel in de buurt van de Pichincha vulkaan. In het centrum bezochten we een aantal van de beste musea van heel Zuid-Amerika. Na een paar dagen snapten we zelfs het supergoedkope ($0,25 cent per ritje) en uitgebreide bussysteem.

Iets minder leuk was de gratis wandeltour die we wilden doen. Eerst was er een dame die de naam van het bedrijf dat de tour organiseerde op haar arm had getatoeëerd. Ze vertelde dat ze ‘pas twee jaar oud was’ omdat ze pas zo kort bij het bedrijf werkte. Vervolgens moesten we allemaal met elkaar knuffelen. Ze vertelde over de ‘bijzondere hoge energie’ die van onze gids zou komen. De gids zelf wilde ‘wel vijf uur gaan wandelen’. Toen hij vervolgens iedereen verplichtte om met een willekeurige taxichauffeur op de foto te gaan besloten we de benen te nemen. We zullen wel niet de juiste chakra’s hebben gehad voor deze rondleiding.

Dak van Guayasamín’s “Kapel van de Mensheid”.

De laatste dag in Zuid-Amerika bezochten we het huis en de “kapel van de mensheid” van schilder Oswaldo Guayasamín (1919 – 1999). Guayasamín is een van de bekendste Latijns-Amerikaanse schilders. Zijn werken bestaan voornamelijk uit portretten, een beetje in de late stijl van Picasso. De “kapel van de mensheid” was zijn zwanenzang: een gigantisch gebouw met metershoge doeken die als een tempel voor de mensheid moeten dienen. Want als er zoveel kerken en tempels zijn voor bovennatuurlijke wezens, waarom is er dan geen voor de mensheid? Zeer indrukwekkend en ontroerend.

Het Spaanse dorp Polopos, waar we zaten.

Vanaf Quito vlogen we niet direct terug naar Schiphol. Eerst brachten we nog vijf dagen door bij goede vrienden in het piepkleine Polopos, een Spaans dorpje op anderhalf uur rijden van Granada. De reis ging niet helemaal vlekkeloos, maar dat is een verhaal wat je beter even hier kunt lezen.

Andalusië, en dan specifiek de Sierra Nevada en Alpujarras zijn naar mijn mening een van de mooiste landschappen van Europa. Je hoeft maar een willekeurig bergweggetje in te slaan of je ziet bergen bedekt met sneeuw, olijfbomen en ergens in de verte de zee. De perfecte plek dus om nog paar dagen te acclimatiseren voor we naar de hectiek van alledag zouden terugkeren.

Heel tof was dat we in een dorpje in de buurt van Granada koffie konden drinken met Steve, een Britse man met wie we in Bolivia de Uyuni-tour hadden gedaan. Hij was bezig met een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella, en slechts anderhalf uur van ons verwijderd.

De laatste dag bezochten we het Picasso-museum in Malaga en hebben we heel uitgebreid het vliegveld van de stad kunnen bewonderen, want we hadden twee uur vertraging. Even na 2 uur ’s nachts hadden we eindelijk onze koffers op Schiphol en nét de nachttrein gemist. We namen een hele dure taxi en mijn eerste reis in Nederland werd ingeluid met een Tesla die met 140 kilometer per uur over de ring A10 naar huis reed.

Onze vriendjes Tinus en Barrie aanschouwen het wonder der luchtvaart.

Bedankt voor het lezen van dit reisverslag! Heb je zelf nog reistips? Laat ze achter in de comments. Om af te sluiten nog mijn beste tips voor als je zelf op reis wilt in Bolivia, Peru of Ecuador.

  • Leer Spaans! Doe een cursus Spaans als je eenmaal in Zuid-Amerika bent. In Peru en Ecuador spreken mensen een beetje Engels, in Bolivia bijna niet. Zelfs een paar dagen privéles helpen al enorm. Sucre en Cusco zijn populaire plekken waar je (goedkoop) les kunt krijgen. Bovendien spreken Zuid-Amerikanen veel rustiger en duidelijker Spaans dan in Spanje. Het is wonderbaarlijk hoe snel je zo’n taal oppikt als je het de hele tijd moet spreken.
  • Als je weinig tijd hebt (2 tot 3 weken), ga dan alleen naar Ecuador. Het is goed bereisbaar (want niet al te groot), er zijn hele diverse bezienswaardigheden, het eten is acceptabel en de mensen spreken een beetje Engels. En de Galapagos zijn uniek.
  • Met meer tijd zou ik (ook) Bolivia doen. Je hebt dan wel minimaal drie weken voor alleen Bolivia nodig, omdat het land groter is en het bussysteem wat Spartaanser. De Salar de Uyuni moet je sowieso bezoeken als je in Bolivia bent.
  • Peru zou ik onderaan het lijstje zetten. Het is mooi, maar zeker in Cusco heb je het gevoel dat je een wandelende zak met geld bent. Het noorden van Peru schijnt minder toeristisch te zijn, maar daar zijn we helaas niet geweest.

De horror-klantenservice van Iberia

Alle telefoonnummers van Iberia die we hebben proberen te bellen.

Stel je voor: je vliegt van Quito (in Ecuador) naar Málaga (in Spanje) via Madrid. Hoeveel tijd heb je nodig om over te stappen op Madrid, een van de grootste vliegvelden van Europa?

55 minuten, dat leek vliegtuigmaatschappij Iberia voldoende. Als je een ticket boekt van Quito naar Málaga via de site van Iberia is dat de officiële ‘layover’ voor het wisselen van gate.

Mijn vriendin en ik vonden dat wat kort. Maar het was de enige betaalbare vlucht die we konden boeken. Voor de zekerheid vroegen we het na op onze heenweg. Geen enkel probleem, verzekerde een Iberia-medewerker ons. En er gingen ‘dagelijks toch heel veel vluchten van Madrid naar Málaga’. Dat laatste vonden we iets minder geruststellend.

Toen kwam de vlucht. Natuurlijk had onze vlucht vanaf Quito vertraging. In Madrid zouden we iets meer dan een half uur hebben om over te stappen. Oh, en we moesten wisselen van terminal. Het vliegveld van Madrid is zo groot dat die wissel per trein gaat.

In het vliegtuig werden we toch een beetje zenuwachtig. We vroegen een stewardess of er stoelen bij de uitgang waren. Die waren er niet, volgens haar. We vroegen het nog eens, aan een andere steward. Opeens waren er toch twee stoelen bij de uitgang.

Het vliegtuig landde. In iets meer dan een half uur gebeurde het volgende:

  • We moesten met een bus in plaats van via een slurf naar de terminal. We hadden de allereerste bus en stonden precies bij de deuren, dus we konden er als eerste uit. We begonnen te rennen.
  • We moesten door de paspoortcontrole (want we kwamen van buiten de EU). Daar stond geen rij.
  • We moesten door de veiligheidscontrole. Ook daar stond geen rij.
  • We moesten met de trein naar de andere terminal. Die vertrok precies nadat wij instapten.

De gate bleek de állerlaatste te zijn in de gigantische terminal 4. We kwamen hijgend aan, ik nog met mijn broekriem van de veiligheidscontrole vast in mijn hand. Tien minuten later ging de gate dicht. Als er ook maar één ding mis was gegaan (er was bijvoorbeeld wél een rij geweest bij de veiligheidscheck) hadden we het vliegtuig gemist.

Een uur later kwamen we aan in Málaga. Onze bagage niet, die was achtergebleven in Madrid. We vulden een formulier in bij de balie van Iberia en de mevrouw beloofde ons plechtig dat onze tassen per koerier de volgende ochtend bij onze B&B zouden arriveren. Vol goede moed reden we de anderhalf uur naar Polopos, het piepkleine bergdorpje waar we zouden verblijven in de B&B van vrienden.

Dag twee

De ochtend brak aan. Er kwamen geen tassen. We gingen op stap, en vertrouwden erop dat onze tassen die dag wel zouden arriveren. We zaten dus in een heel klein dorpje, en bij onze B&B was lang niet de hele dag iemand aanwezig. Gelukkig die dag wel.

Die avond waren er nog steeds geen tassen. Op de website waar je kon checken waar je tassen bleven stond iets verontrustends: ze zouden niet naar Polopos in Spanje worden verscheept, maar naar Polopos in Amsterdam. Of misschien toch naar Granada. Heel veel wijzer werden we niet van de site, dus besloten we Iberia te bellen. 

Geen enkel regulier nummer dat we konden vinden op de site van Iberia bleek te werken. Alle nummers waren servicenummers (het equivalent van 0800 of 0900-nummers in Nederland). En hier is iets dat weinig mensen weten: servicenummers kun je niet bellen vanuit het buitenland

Laat dit even op je inwerken. Nederlandse servicenummers kun je niet bellen als je in het buitenland bent, zelfs niet met een Nederlands abonnement. Spaanse servicenummers werken ook niet als je een Nederlands abonnement hebt, zelfs áls je in Spanje bent.

Iberia’s doel is ‘mensen naar het buitenland brengen’. Maar in dat buitenland kun je ze niet bellen als er iets aan de hand is. 

Ik keek op de websites van KLM, Lufthansa, Delta Airlines en British Airways. Allemaal hadden ze lokale telefoonnummers die je ook vanuit het buitenland kon bellen. Ik kon slechts één andere luchtvaartmaatschappij vinden die uitsluitend servicenummers had: Ryanair.

We zochten verder en vonden andere Iberia-telefoonnummers. Maar ook dat bleken vrijwel allemaal servicenummers te zijn. Na een poging of vijftien kwam ik uit bij de lokale verkooplijn van Iberia Express waar ik een man aan de lijn kreeg en dit Kafkaiaanse gesprek had: 

“Sorry, wij gaan niet over de bagage. U moet met het algemene nummer bellen.”

“Dat kan niet, want ik heb een Nederlandse telefoon.”

“U kunt ook mailen.”

“We vliegen over drie dagen. Ik wil graag snel iemand spreken die weet waar mijn bagage is.”

“Dan kunt u met het servicenummer bellen.”

“Zoals ik al zei, dat kan ik niet. Kunt u mij niet doorverbinden met de afdeling voor verloren bagage? 

“Dat mag ik niet.”

“Heeft u een ander lokaal nummer?”

“Nee, maar belt u anders met het Nederlandse servicenummer.”

“<Diepe zucht>”

Mijn vriendin belde met het nummer voor Iberia Plus-klanten (dat waren we niet). Ook daar werden we opgescheept met Iberia-servicenummers die we niet konden bellen. Maar na hevig aandringen kwam er opeens een ander, lokaal, nummer.

We belden het nummer, dat van Level bleek te zijn, een Iberia-dochter die Europese vluchten aanbiedt vanaf Wenen en intercontinentale vluchten vanaf Parijs en Barcelona. Maar de medewerker van Level bleek competent te zijn, en cruciaal, toegang te hebben tot het bagagesysteem van Iberia. Polopos, ons bergdorpje, werd verplaatst van Nederland naar Spanje. 

Dag drie

De volgende dag waren er nog steeds geen tassen. In de tussentijd had ik op de website van British Airways (!) een PDF gevonden met lokale telefoonnummers van de bagageafdelingen van alle vliegvelden waar ze op vliegen. Aangezien British Airways en Iberia 2011 fuseerden leek mij de kans groot dat ze ook elkaars bagage zouden verwerken. We belden het nummer dat bij het vliegveld van Málaga stond. 

De tassen waren niet in Málaga. Ze waren op het vliegveld van Granada.

Polopos is bijna net zo ver met de auto vanaf van het vliegveld van Málaga als dat van Granada, maar omdat Polopos in de provincie Granada ligt had Iberia besloten dat het verstandiger was om de tassen naar het piepkleine vliegveld van Granada te sturen in plaats van naar het grote, goed bemande vliegveld van Málaga. 

We zouden worden teruggebeld als ze meer wisten. Dat gebeurde natuurlijk niet. We belden met het vliegveld van Granada, maar ze namen niet op. We stuurden een tweet naar @iberia, maar kregen geen reactie.

Dus we belden weer met het nummer van Level, de Iberia-dochter die de vorige avond zo handig in het systeem van Iberia onze gegevens had kunnen aanpassen. Maar de persoon aan de lijn was iets minder competent: zij kon het Iberia-systeem helemaal niet in! En die collega die we gisteren hadden gesproken dan? Dat was onmogelijk, we hadden vast een ander nummer gebeld. Maar waarom belden we niet gewoon het algemene servicenummer?

We leenden een Spaans telefoontoestel en belden met het algemene servicenummer. Wonderbaarlijk genoeg kregen we een competent iemand aan de lijn die ons probleem met servicenummers kende (“Oh ja, is dat probleem nog steeds niet opgelost? Ik werd er ook gek van toen mijn eigen bagage kwijt was”). Hij gaf ons de gouden tip: bel met de Britse klantenservice, dat is een lokaal nummer in Londen.

Het Britse nummer had een stemgestuurd keuzesysteem. Mijn vriendin moest ons bagagenummer inspreken. Maar wat ze ook probeerde, het systeem kon haar niet verstaan. Zelfs met een belachelijk overdreven Brits accent kon het systeem ons bagagenummer niet verstaan. Na tien minuten vruchteloos proberen gaf het systeem het op en werden we doorverbonden met een levende mevrouw.

Die vertelde ons dat de bagage nét was afgegeven aan een lokaal koeriersbedrijf in Granada. Hoe lang dat kon duren? We moesten maar wachten tot 23.00, zo lang zou het kunnen duren.

Dus die avond zaten we in de (gesloten) bar van onze kleine B&B, te wachten op een koerier die naar het kleine bergdorpje zou rijden. Maar om 23.00 was er nog geen koerier te zien. Mijn vriendin keek op haar telefoon en zag dat @iberia via Twitter eerder om half negen die avond een bericht had gestuurd: de tassen zouden die avond aankomen. We plakten een briefje op de deur van de bar voor het geval dat de koerier midden in de nacht zou aankloppen en gingen naar bed.

Dag vier

Het werd woensdagochtend. Donderdag zouden we vliegen en er was nog steeds geen spoor van onze bagage. De cadeaus die we voor onze vrienden hadden gekocht in Zuid-Amerika hadden we nog steeds niet kunnen geven. 

We belden voor de zoveelste keer met Iberia. De medewerker meldde ons dat ze op het vliegveld van Granada vast meer wisten, ze had net een berichtje gestuurd. We vroegen of ze niet beter kon bellen. Nee, dat kon niet, want helpdeskmedewerkers van Iberia mogen collega’s op vliegvelden niet bellen. We zeiden dat we die regel volkomen belachelijk vonden en belden zelf maar met de servicebalie van Iberia op het vliegveld van Granada.

Niemand nam op.

We belden nog eens. En nog eens. Niks.

We belden het algemene nummer van het vliegveld. Daar wisten ze ons te vertellen dat de Iberia-servicedesk op het vliegveld ietwat ‘understaffed’ was. Je meent het.

De maat was vol. We besloten de laatste volle dag die we nog hadden op onze wereldreis te besteden aan het rijden naar het vliegveld van Granada om zelf maar onze tassen te gaan zoeken.

We zaten pas een half uurtje in de auto toen we het verlossende telefoontje kregen van onze vrienden: de tassen waren gearriveerd.

Het was gewoon een lokale postbode geweest, die ze had opgepikt op het vliegveld van Granada. Van alle consternatie had hij geen weet gehad. We inspecteerden onze bagage: alles zat er nog in. Eindelijk konden we onze cadeaus overhandigen aan onze vrienden. En we hadden onze tassen terug vóór we naar Schiphol zouden vliegen.

Maar ondertussen hadden we bijna drie volle dagen in dubio gezeten over waar onze tassen waren. We konden weinig doen, omdat we moesten wachten op onze tassen. We hebben, alles bij elkaar, bijna een dag gespendeerd aan het bellen naar klantenservices en het checken van websites.

Hoe het dan wel moet

Het had allemaal zoveel makkelijker gekund. Als we bij aankomst hadden geweten dat het tot woensdagochtend zou duren voor we onze bagage zouden hebben zou dat vervelend zijn geweest, maar geen ramp.

Maar dat weten was het probleem. We hadden geen idee. Alles ging mis met de communicatie.

Als we hadden geweten wáár onze bagage was (op het vliegveld, bij de vervoerder, in het busje van de postbode), net zoals je dat bij een pakketje kan zien, hadden we niet tot 23.00 ’s avonds in een koude bar hoeven te wachten.

En als Iberia lokale nummers zou gebruiken in plaats van onbereikbare servicenummers hadden we niet tientallen andere nummers hoeven bellen.

Laten we niet vergeten wat de oorspronkelijke oorzaak is van deze hele ellende: de belachelijke overstap van 55 minuten op het vliegveld van Madrid. Eén simpele actie, het niet aanbieden van die onmogelijke overstap op de website, had alles kunnen voorkomen. Iberia heeft nog twee vluchten op dezelfde dag met overstaptijden van minstens drie uur, er is dus geen enkele reden om alleen de onmogelijke overstap aan te bieden.

Misschien moet de directeur van Iberia zelf eens proberen van Quito naar Málaga te vliegen, en over te stappen in 55 minuten op Madrid. Ik heb dan vast een tip: probeer het servicenummer eens.

Het lijstje van 2018

Een jaar is niet compleet zonder Het Lijstje, het jaaroverzicht van mijn 20 favoriete muziekalbums van het jaar.

Sinds 2003, toen ik mijn eerste Lijstje maakte, is er wel wat veranderd met hoe mensen muziek consumeren. Albums bestaan nog steeds, maar de manier waarop we muziek beluisteren via playlists, YouTube en Spotify lijkt het belang ervan wel te verminderen.

Een voorbeeld. Pitchfork is een van de grootste websites voor alternatieve muziek. Rond Kerst 2004 zag hun site er zo uit. De albums van het jaar stonden prominent op de homepage, en op de site kwamen een paar weken lang geen nieuwe recensies: de top 50 was genoeg.

Als je de site nu bekijkt moet je echt zoeken naar het lijstje. Pas half onderaan de pagina staat een linkje naar hun beste 50 albums van 2018. Er komt de hele tijd nieuwe muziek uit, de lijst met beste albums is niet meer het logische eindpunt van het muzikale jaar.Maak ik in 2033, als ik de eerbare leeftijd van 50 jaar bereik, nog steeds Het Lijstje? We zullen het zien.

De albums van 2018

  1. Kali Uchis – Isolation
  2. Courtney Barnett – Tell Me How You Really Feel
  3. Low – Double Negative
  4. Against All Logic – 2012 – 2017
  5. Lucy Dacus – Historian
  6. Jon Hopkins – Singularity
  7. The Field – Infinite Moment
  8. SOPHIE – Oil of Every Pearl’s Un-Insides
  9. Aphex Twin – Collapse EP
  10. Robyn – Honey
  11. U.S. Girls – In a Poem Unlimited
  12. Alela Diane – Cusp
  13. Amen Dunes – Freedom
  14. Eleanor Friedberger – Rebound
  15. Elvis Costello & The Imposters – Look Now
  16. Beach House – 7
  17. Father John Misty – God’s Favorite Customer
  18. GAS – Rausch
  19. Yves Tumour – Safe in the Hands Of Love
  20. boygenius – boygenius EP

De liedjes van 2018

Voor mij was 2018 het jaar waarin de muzikale algoritmes volwassen werden. Van mijn playlist met favoriete nummers van het jaar komt zeker een derde via Discover Weekly. Bizar hoe ik op die manier artiesten ontdek die soms maar 5.000 streams totaal hebben gehad.

Ik heb een Spotify-playlist gemaakt met van alle albums één liedje, en dan nog 14 andere nummers die ik de moeite waard vond. Luisteren maar.

Het concert van 2018

Ik bezocht dit jaar zo’n 25 concerten (hele lijst hier). Mijn hoogtepunt was, best verrassend, niet een of ander hip indie-electrobandje maar de 70-jarige Selda Bağcan. De Turkse Bob Dylan, zeg maar. Ik ging er zonder al te veel voorkennis naartoe, maar ze was fantastisch bij stem en pakte het hele publiek in, ook al kon ik het grootste deel niet verstaan. Ook heel leuk om een keer te zien hoe de grote zaal van Vredenburg helemaal vol zat met Turkse Nederlanders die uitbundig aan het dansen waren op de muziek die hun ouders vroeger draaiden. Tof.

Meer lijstjes vindt u bij Pitchfork, NPR, Best Ever Albums, The Guardian, Metacritic, en 3voor12.

En als u echt niks te doen hebt: hier zijn mijn lijstjes van 2017, 2016, 2015, 2014, 2013, 2012, 2011, 2010, 2009, 2008, 2007, 2006, 2005, 2004 en 2003.

De meetup 😭

Dit is niet de meetup waar ik was. Maar daar had ik geen foto’s van. Foto: Sham Hardy / CC-BY-SA

Het was een woensdagavond. Ik had niet zoveel te doen, dus ik ging naar een meetup. Een meetup is een avond waar mensen bij elkaar komen om te luisteren naar lezingen over technische dingen. Meestal wordt het gesponsord door een bedrijf, dus is er gratis eten en drank. Vaak is het ook een manier voor recruiters om nieuw talent te werven.

De meetup zou gaan over Typescript, een programmeertaal van Microsoft die lijkt op Javascript. Ik had eerder wat experimenten gedaan met Typescript en wilde er wel meer over weten.

Ik kwam uit de lift op de vijfde etage en werd gelijk welkom geheten door een meisje van het bedrijf: ‘drinks are on the left, pizza on the right’. Expats zijn een belangrijke doelgroep van meetups, dus de voertaal is meestal Engels.

Ik ging vooraan zitten en keek een beetje om me heen. Zo’n tachtig mannen en -afgezien van wat dames van het bedrijf zelf- twee vrouwen. Er waren grote problemen met de livestream dus het zou allemaal iets later beginnen. Een jongen die er uitzag alsof hij vaak aan de gewichten hing paste de welkomstslides aan. Op het scherm stond: ‘We’ll start in 12 minutes’.

“Onhandig, want over een minuut klopt dat al niet meer”, zei ik tegen mijn buurman. “Ze kunnen er beter opzetten dat ze om kwart voor zeven beginnen.” Hij vond het een slimme suggestie. De buurman kwam uit Barcelona en was net een week in Amsterdam. Zijn vriendin was recruiter. Ik vroeg hem of hij al had gekeken naar appartementen. ‘Yes, we have been looking for something in Gamstélbin’. Ik moest hem drie keer vragen het te herhalen voordat ik snapte dat hij het over Amstelveen had.

Na iets meer dan de aangekondigde twaalf minuten begon de introductie. De jongen met de spierballen die eerder de welkomstslides aanpaste heette ons in een vreemd Duits accent hartelijk welkom en vroeg meerdere malen om applaus voor het bedrijf dat de ruimte en de versnaperingen had geregeld. Vervolgens kwam iemand van het bedrijf een korte presentatie geven over wat ze allemaal deden. Bij de helft van de slides zei hij: “hier ga ik het nu niet over hebben” om het vervolgens over die slide te hebben.

Na de introductie was het tijd voor de hoofdspreker. Hij kwam uit Spanje, had een zwaar accent en praatte erg snel. Het was lastig hem te volgen. Hij had ongeveer 100 slides over Typescript en vroeg na elke slide heel snel ‘Any questions? No? Next slide’.

De spreker had het vooral over de theorie. Hij gaf weinig praktische voorbeelden, en weinig uitleg over waarom Typescript verschilt van Javascript. Na sommige slides stelde de spreker een vraag aan het publiek, maar niemand gaf antwoord. Één keer probeerde iemand het, maar de spreker legde uit dat hij het helemaal fout had.

Ik kreeg spijt dat ik helemaal vooraan was gaan zitten en besloot om dan maar van het gratis bier gebruik te maken. Ik sloop naar de tafel met drankjes helemaal achteraan in het zaaltje, maar iemand vertelde me dat er alleen nog maar Heineken 0.0% was. Ik liep schoorvoetend terug naar mijn plaats.

Na de presentatie was het tijd voor een spelletje. Iedereen werd gevraagd om z’n smartphone te pakken en Kahoot te openen, waarmee we konden meten hoeveel iedereen van de presentatie had opgestoken. Helaas was de spreker vergeten in te loggen op de presentatielaptop, en duurde het ongeveer een kwartier voordat het hem lukte om z’n wachtwoord te herinneren zodat hij de quiz aan kon zetten. Iedereen logde in en moest een naam invullen. Ik vulde een huilende emoji in.

Mijn huilende emoji kwam snel in de top drie tussen de andere 80 deelnemers. De spreker ging de top drie af en noemde mijn emoji een ‘cry icon’.

Toen kwam de vraag of Typescript álle elementen bevatte van object-georiënteerd programmeren. Ik vond het maar lastig. Want wat zijn die elementen dan? Bovendien was Typescript een vrij nieuwe taal. Ik antwoordde dus ‘nee’. Maar dat was niet goed, want volgens de spreker had hij duidelijk in zijn presentatie laten zien dat alle elementen erin zaten.

Ik zag dat er nog tien vragen zouden volgen en besloot dat ik al te veel tijd kwijt was geweest aan deze avond. Ik droop af. ‘Bedankt voor het komen!’ zei het meisje bij de ingang, terwijl ik wachtte op de lift.

‘Tot ziens’, loog ik.

The Booking.com Travel Agency

Photo: Yonghyun Lee / Unsplash

A man enters the booking.com travel agency.

“Good morning there! Welcome to the booking.com travel agency. How can I help you?”

“Hi. My wife and I are celebrating our wedding anniversary. I want to surprise her with a romantic weekend in Paris.”

“Lovely. Where are you going and when?”

“Well, Paris. Next weekend.”

“Excellent, the historic city centre of Paris, next weekend.”

The employee types and looks at the computer screen.

“You want to go to Paris during a very popular period. There’s a 76% increase of people looking for a place to stay there. I recommend booking soon.”

“Well, I’m here now? What’s on offer?”

“’Chez Madrigal’, a ten-minute walk from the Eiffel Tower, excellent for two people, free wifi and it’s heated.”

“Are you offering any unheated hotels? Well, that sounds splendid, let’s go ahead and book…”

“Sorry. It’s gone.”

“Excuse me?”

“You just missed it. Very popular dates apparently. The last room just sold out.”

“Then why are you proposing this hotel?”

“It’s wonderful and gets a 9.7 on average for the location.”

The man sighs.

“Alright. Anything else on offer?”

“’Le Méridien Etoile’, a typical residence in the rustic style from the 17th century with antique furniture.”

“Ah, my wife is very keen on antique furni…”

“This place is in high demand, there’s only 1 room left on this site. It has been booked 12 times in the last 6 hours.”

“Please, could you calm down for a bit?”

“Somebody from Belgium booked a room in this hotel 32 minutes ago.”

“So what? What are the rates?”

“250 euros per night.”

“Jeez! Don’t you have anything more affordable?”

“’Royal Saint Honore’ is available for only 100 euros per night. That’s a rare find, usually it’s booked months in advance. You’re very lucky! I would make a reservation right now before it’s sold out.”

“Please, could you be a little less agitated? This is a nice place to stay?”

“Visitors rate it with an 8.9 on average. Veronica from the Czech Republic calls it ‘magical’, it felt like home.”

“Well, that sounds excellent.”

“I like to give you the full picture. Maura from Israel disliked it heavily and rated it 3.8. Mugur from Romania was awake all night because of mosquitos. Jacqueline from England was disgusted by the mold in the bathroom.”

“Wait a second. Are we talking about the same place?”

“Bruno from Germany compares the interior to a fairytale. Chris from Australia was really satisfied with the modern clean bathroom. Jeanine from the USA was startled by the beauty of the room.”

“I’m confused.”

“96% of all guests rated this hotel as good or better than their expectations.”

“You know what?”

“Yes?”

“We’ll stay at home. I’m going to make a reservation at a restaurant.”

“Oh, but we’ve also added that to our services. I could make a reservation for you”

“I would prefer that you don’t.”

“84% of all restaurants have a reservation already, but there’s this lovely Thai that has a single unreserved table. Kelly from Austria writes that it saved her marriage. Bob from Norway found cockroaches in his food. Somebody from Poland made a reservation 12 minutes ago.”

“Goodbye.”

This post originally appeared in Dutch in the 73th edition of De Circulaire, my biweekly newsletter.

Zo kies ik welke linkjes in De Circulaire komen

Elke twee weken verstuur ik mijn nieuwsbrief: De Circulaire. Behalve kattengifjes (de reden van mijn ongeëvenaarde succes) bevat mijn nieuwsbrief ook een tien tot vijftiental zorgvuldig geselecteerde linkjes naar leuke websites. Maar hoe maak ik elke twee weken die selectie?

Oogst

Linkjes oogsten gaat op veel manieren: via sociale media als Twitter, Facebook en Reddit. Via media die ik lees. Doordat ik plotseling op een gekke website terecht kom. En natuurlijk via mijn trouwe lezers die me dingen sturen.

Dat is de eerste stap. Het linkje komt terecht in een lijstje in Wunderlist, mijn favoriete lijstjesapp. Meestal ben ik lui en wil ik het niet meteen lezen, dus komt het linkje terecht in het lijstje ‘Linkjes ongelezen’. Op het moment van schrijven zitten daar zo’n 79 linkjes te wachten. Vaak zijn het er veel meer.

Schiften

Eens in de zoveel dagen ga ik door dat lijstje heen, lees ik een paar dingen en ben ik aan het schiften: als ik na een paar zinnen al geen zin meer heb gaat het onherroepelijk de prullenbak in. Maar als ik door blijf lezen betekent dat nog geen plaatsing: het linkje gaat eerst naar een ander lijstje: ‘Linkjes gelezen’.

Als ik eenmaal toe ben aan het schrijven de nieuwsbrief ga ik weer door dat lijstje heen en bekijk ik kort nóg een keer of het linkje wel iets is voor voor de aanstaande Circulaire. Dan bedenk ik in welke van de drie vage categorieën het thuishoort: nieuw & belangrijk, kunst & techniek en grappig & opmerkelijk. Ik probeer me te richten op zo’n 3-5 linkjes per categorie. Als er al te veel linkjes van een bepaald type zijn dan gaat het linkje weer terug naar de lijst en wacht het op een volgende editie. Soms komt die editie nooit en valt het linkje alsnog af.

Criteria

Wat ik niét zo belangrijk vind aan een linkje: of iets heel erg actueel en nieuw is. De Circulaire verschijnt maar eens per twee weken, dus ik loop sowieso achter de feiten aan. Juist daarom plaats ik liever linkjes naar dingen die wat langer houdbaar zijn en zich onttrekken aan de waan van de dag (heb ik nog als slogan overwogen, helaas was De Correspondent me voor).

Vaak besluit ik na herlezing van het linkje dat ik tóch niet ga plaatsen: het is niet blijven hangen. Niet meer relevant. Te specialistisch. Eigenlijk gewoon niet zo goed. Of ik heb al genoeg artikelen over Donald Trump voor één nieuwsbrief.

Door dit kritische proces kan ik de beste linkjes aan mijn lezers bieden. Ik schat dat elk linkje dat in het ‘ongelezen’ lijstje komt slechts zo’n 20% kans heeft om in de nieuwsbrief te belanden.

De afvallers

Om een idee te geven wat u elke twee weken niet leest, hier een greep uit de afgewezen linkjes en waarom ze afvielen:

Plaatsing

De laatste stap is een tekstje verzinnen. Ook dat is nog best een proces, want mijn lezers moeten goed weten wat ze kunnen verwachten, maar ik wil ook niet meteen alles verklappen. En zelfs dán besluit ik nog wel eens dat het linkje toch niet Circulaire-waardig is en verdwijnt het naar de prullenbak.

Samengevat: ik ga niet over één nacht ijs voor ik een linkje plaats. En als u nu benieuwd bent welke linkjes het wél hebben gehaald: word lid van mijn nieuwsbrief.

Het booking.com-reisbureau

Foto: Yonghyun Lee / Unsplash

Een man komt het booking.com-reisbureau binnen.

“Goedemiddag, welkom bij het Booking.com-reisbureau, waarmee kan ik u van dienst zijn?”

“Hallo, mijn vrouw en ik vieren binnenkort onze trouwdag. Ik wil haar graag verrassen met een romantisch weekend in Brugge.”

“Wat leuk. Waar gaat u heen en wanneer?”

“Nou, Brugge dus. Volgend weekend.”

“Uitstekend, het historisch centrum van Brugge voor volgend weekend.”

De medewerker tikt iets in en kijkt op de computer.

“U wilt naar Brugge op een populair moment, 76% meer mensen zijn ook aan het kijken naar hotels in Brugge. Ik raad u aan om snel te boeken.”

“Oh, ik ben toch hier? Wat heeft u in de aanbieding?”

“‘Loft Katelijne’, tien minuten lopen van het centrum, uitstekend voor 2 personen, gratis wifi en er is verwarming.”

“Zijn er ook hotels zonder verwarming dan? Nou, dat klinkt goed, laten we dat…”

“Nee, helaas net weg.”

“Pardon?”

“U heeft dit hotel net gemist. Dat weekend is erg populair. Alle kamers zijn op.”

“Waarom stelt u dan dit hotel voor?”

“Het is fantastisch en krijgt gemiddeld een 9.7 voor de locatie.”

De man zucht.

“Ok, wat is er nog meer?”

“Martin’s Relais, een grachtenpand uit de 17de eeuw met antiek meubilair.”

“Oh, mijn vrouw is erg geïnteresseerd in antiek meubi..”

“Er is nog maar één kamer in dit hotel. De afgelopen 6 uur zijn er al 12 boekingen geweest.”

“Nou, doe maar rustig hoor.”

“Iemand uit de Oekraïne heeft 32 minuten geleden een kamer in dit hotel geboekt.”

“So what? Hoeveel kost dit hotel?”

“€250 euro per nacht.”

“Jeetje! Heeft u niet iets goedkopers?”

“Ik heb ‘Bed and breakfast Guido Gezelle’ voor €100 per nacht. Meestal is die niet beschikbaar. U heeft heel veel geluk! Ik zou nu reserveren voor het uitverkocht is!”

“Jaja, niet zo opgefokt. En dit is een goed hotel?”

“Bezoekers geven gemiddeld een 8.9. Veronika uit Tsjechië vond het een magische ervaring, het voelt alsof ze thuis was.”

“Nou, dat klinkt uitstekend.”

“Ik geef u graag het hele plaatje. Maura uit Israël vond het afschuwelijk en gaf een 3.8. Mugur uit Roemenië had de hele nacht last van muggen. Jacqueline uit Engeland had schimmel in de badkamer.”

“Wacht, is dit hetzelfde hotel?”

“Joanna uit Engeland vond het interieur als uit een sprookje. Caroline uit Australië was erg blij met de moderne schone badkamer. Jeanine uit Amerika kon niet meer ademen toen ze de kamer binnenkwam, zo mooi vond ze het.”

“Ik ben een beetje in de war.”

“96% van de gasten vonden dit hotel net zo goed of beter dan ze hadden verwacht.”

“Weet je.”

“Ja?”

“We blijven thuis. Ik reserveer wel een restaurant.”

“Oh, maar dat doen we ook tegenwoordig!”

“Liever niet.”

“84% van alle restaurants zijn al gereserveerd, maar ik heb hier een goede Thai waar nog precies één tafeltje vrij is. Kelly uit Oostenrijk zegt dat door dit restaurant haar huwelijk is gered. Bob uit Noorwegen zegt dat er kakkerlakken in het eten zaten. Iemand in Polen heeft 12 minuten geleden een reservering gemaakt!”

“Goedemiddag.”

Vijf redenen waarom Griekenland een ideaal vakantieland is

Zonsondergang bij ons hotel

Ik was met mijn vriendin drie weken in Griekenland. We vlogen op Thessaloniki en maakten een rondje over het vasteland tot aan Delphi. We zijn op geen enkel groot eiland geweest maar wel in prachtige natuurgebieden, bergen en rustieke dorpjes. En we kwamen na drie weken tot de conclusie dat Griekenland het ideale vakantieland is. Waarom? Lees verder…

Melitzanosalata, ansjovisjes en dolma

1. Griekenland heeft fantastisch eten

De meeste mensen zullen bij de Griekse keuken vooral denken aan grote porties vlees en ouzo. Maar Griekenland heeft een fantastische gevarieerde keuken, juíst voor mensen die niet zo van (veel) vlees houden. Ja, souflaki en moussaka krijg je overal, maar ook alomtegenwoordig zijn mezze: kleine gerechtjes, vergelijkbaar met de Spaanse tapas. Als je er drie of vier van neemt heb je een uitstekende maaltijd. Gegrilde oesterzwammen, auberginedip (melitzanosalata), Griekse salade, fava, gerookte makreel, het is allemaal even smakelijk.

Het gaat niet vervelen, ook al hebben we sommige gerechten misschien wel vijftien keer gegeten. Elke keer was het toch nét weer iets anders. Dat het zo lekker was had ook vast iets te maken met de krankzinnige hoeveelheden olijfolie die de Grieken over alles gooien. Jaarlijks consumeren ze 18 liter per persoon. Elke drie weken een fles per persoon!

Gek genoeg deed de Griekse keuken me denken aan de Japanse. Ook daar heb je vooral veel kleine gerechtjes die draaien om één (vers) ingrediënt. En ook heel Japans: het eten stelt zelden teleur en is heel betaalbaar. Voor drie tot vier mezzes, brood, en drankjes voor twee personen betaalden we maar tussen de €20 – €25. Vaak kreeg je er ook nog een gratis toetje bij.

Een kat bij het dakpannen en bakstenenmuseum in Volos

2. Griekenland heeft gezellige straatdieren

Behalve dat een maaltijd precies €23,50 kost (meerdere malen gebeurd) is een andere zekerheid dat er altijd schooiende katten en honden zijn. Soms irritant, maar meestal gewoon heel gezellig. Ook bij de meeste hotels waar wij zaten waren er altijd straatdieren om je te amuseren (en te bedelen om eten).

Ondergetekende doet even voor hoe je op z’n Grieks rijdt

3. Griekenland is prima te berijden

We hadden dramatische verhalen gehoord over autorijden in Griekenland, want slechte wegen en automobilisten. Het klopt dat Griekenland een van de landen is binnen de Europese Unie waar de meeste verkeersdoden vallen. Maar afgezien van onze brakke auto (huur nooit een auto bij ‘Surprice’ op het vliegveld van Thessaloniki!) viel dat eigenlijk heel erg mee.

De wegen zijn over het algemeen prima (bedankt, EU!) en lang niet zo druk als in Nederland. Het klopt wel dat Grieken er een rare rijstijl op nahouden: half op de vluchtstrook rijden is doodnormaal (of een uitnodiging om in te halen), iedereen rijdt stelselmatig twintig kilometer te hard (het liefst met een arm uit het raampje) en dubbel parkeren is schering en inslag.

Maar Nederlanders rijden ook raar. Opeens drie banen op de snelweg oversteken om nog even snel een afrit te halen, bumperkleven, inhalen zonder richting aan te geven: in Griekenland rijden ze veel relaxter.

De wagenmenner van Delphi

4. Griekenland heeft de wagenmenner

In het Nationaal Museum van Rome werd ik vorig jaar verliefd op de rustende bokser, een meer dan 2000 jaar oud bronzen beeld. Toen ik zag dat ze in het Griekse Delphi óók zo’n oude brons hadden wist ik dat ik daar heen moest. De wagenmenner van Delphi is te zien in het museum daar en is net zo’n ontroerende ervaring.

5. Griekenland heeft de liefste mensen

Het viel me terug in Nederland op hoe afstandelijk iedereen is. Als je een winkel binnengaat word je geholpen, er vindt een transactie plaats, maar over iets anders dan die transactie heb je het niet.

Hoe anders is dat in Griekenland. Zelfs als je in een supermarkt bij de kassa afrekent beginnen mensen tegen je te kletsen: waar kom je vandaan? Wat vind je van Griekenland? Waar ben je al geweest? Het is echt geen trucje: iedereen babbelt de hele dag met elkaar. Je moet daarom wel lang wachten als je de rekening wilt, want de ober moet met iedereen een gesprek gaande houden.

Grieken geven je ook de hele tijd kadootjes. We hebben een tros bananen gekregen, chocolaatjes, ruitenwisservloeistof(!) en eindeloze toetjes en stukken meloen. Het toppunt was ons hotel in Arachova (bij Delphi), dat door een familie werd bestierd die ons de hele dag wilde verwennen met koffie en gebakjes. Weigeren was lastig: de lobby van het hotel was tevens hun huiskamer. Als je terugkwam van een uitje werd er gelijk een tafelkleedje neergelegd en kwam er zoetigheid en deegflapjes op tafel.

Als u ook enthousiast bent geworden en naar Griekenland wilt: hier is een overzicht van alle plekken waar ik ben geweest, inclusief de beste bezienswaardigheden en hotels.

Indiase Dahl met spinazie

Dit recept maakt ongeveer 3 grote porties.

Ingrediënten

  • 1 blikje tomatenpuree
  • 150 gram rode linzen
  • 2 teentjes knoflook
  • 1 ui
  • 1/4 theelepel kurkuma
  • 1 theelepel komijn
  • 1 theelepel garam masala
  • 1/2 theelepel zeezout
  • 2 eetlepels olijfolie
  • 1 ui, gesnipperd
  • ongeveer 100 gram verse spinazie (3 handen) en eventueel wat om rauw mee te garneren
  • 200 gram basmati rijst

Bereiding

  1. Fruit de ui samen met de knoflook.Roer er de kurkuma, garam masala, knoflook, tomatenpuree en zout door. Doe de linzen erbij met 400 ml koud water en breng aan de kook. Laat minstens 30 minuten koken zonder deksel op laag vuur, terwijl je het af en toe roert tot het een puree wordt. Hoe langer je kookt, hoe lekkerder het wordt. Voeg regelmatig water toe als het te droog wordt.
  2. Maak ondertussen de rijst klaar.
  3. Als de linzen bijna klaar zijn roer je de spinazie door de linzen. Voeg het beetje bij beetje toe, steeds als het geslonken is weer een handje.
  4. Serveer met yoghurt, rijst, rauw spinazie, cranberries en wat je verder maar lekker vindt