Twee maanden reizen door Zuid-Amerika: Bolivia, Peru en Ecuador

Begin 2019 reisde ik samen met mijn vriendin twee maanden door Bolivia, Peru, Ecuador en Spanje. Elke twee weken schreef ik een reisverslag voor De Circulaire, mijn nieuwsbrief. Dit artikel is een compilatie van al die verslagen.

Centrum van Santa Cruz, gezien vanuit de toren van de San Lorenzo-kerk.

Onze reis begon in de grootste stad van Bolivia: Santa Cruz. We begonnen daar omdat het op slechts 400 meter hoogte ligt. Hoogteziekte kan echt een probleem zijn, en aangezien veel delen van Bolivia op meer dan 4000 meter hoogte liggen is het beter om het rustig op te bouwen. Iberia vloog echter niet met een overstap vanaf Amsterdam naar Santa Cruz, dus besloten we nog een paar dagen in Madrid door te brengen. Ook geen straf. We hadden zelfs tijd voor een dagtripje naar Toledo, maar daar hing een klein beetje mist.

De prachtige historische stad Toledo (Spanje), maar dat is niet te zien door de fucking mist.
Eten op de markt van Santa Cruz.
Onze gezellige huisgenoten in de ecolodge in Samaipata.

Santa Cruz was verder een beetje saai, afgezien van de dierentuin. Daarna zijn we met een trufi (een soort van kruising tussen een minibusje en een SUV) op 31 december naar Samaipata gegaan, een mooi dorpje op de weg naar Sucre. Heel Santa Cruz doet dat ook, dus het was moeilijk om een hotel te vinden voor oudejaarsavond. Onze enige optie was een ‘ecolodge’, die bestond uit een vies huisje 3 kilometer buiten het centrum zonder stromend water en elektriciteit. Op de vloer lagen dode vlinders, op het toilet zaten grote spinnen. Gelukkig was het maar voor één nacht.

Daarna twee nachten in een heel leuk guesthouse gezeten bij mensen thuis. Een mooie trekking gemaakt in het Amborópark, naar de archeologische plek El Fuerte geweest en naar een mini-dierentuin geweest met aapjes en neusberen (zie de foto’s onderaan deze nieuwsbrief).

In Bolivia groeien deze plantjes op de stroomdraden! Later begreep ik dat dit bromelia’s zijn, net zoals de ananas.

Vanuit Samaipata gingen we met de nachtbus naar Sucre. Onderweg moest nog een onderdeel worden vervangen. In Sucre zaten we in een heel fijn hotel met veel andere reizigers en volgden een paar dagen een uitstekende een-op-een cursus Spaans.

Lama’s knippen bij het busstation van Potosí.

De volgende stop was Potosí, de hoogste stad ter wereld op 4.100 meter.

Potosí is vooral bekend vanwege de Cerro Rico, de berg waar tin en zilver uit word gehaald. We hadden een tour door de mijn kunnen doen, maar lichte claustrofobie (ondergetekende) en astma (mijn vriendin) weerhield ons ervan. We hebben in plaats daarvan een rondleiding gehad door het Casa National de Dinero (“De Munt”, in goed Nederlands) wat ook heel leuk was. Ook heel leuk: onze AirBnB. Helaas zat die wel boven een karaokeclub. Gelukkig hield het valse gezang op na 1 uur ‘s nachts. 

Uitzicht net buiten Tupiza.

De volgende stop was Tupiza, dicht bij de grens met Argentinië. Vanaf daar zouden we onze vierdaagse tour naar de zoutvlaktes van Uyuni gaan maken, wellicht de belangrijkste attractie van Bolivia.

We verbleven in Hotel Butch Cassidy (men zegt dat hij en de Sundance Kid hier in de buurt zijn omgelegd). Het hotel was heerlijk, maar helaas was er een groot folkfestival in de buurt dat tot 4 uur ‘s nachts doorging; een half uur later begonnen de werklui op de bovenste verdieping aan de uitbreiding van het hotel.In Tupiza deden we ook nog een klein tourtje. Tot onze verrassing bleek onze gids dezelfde jongen te zijn die ons had ingecheckt in het hotel. Een kleine wereld!

Ons verblijf in Tupiza was de opmaat tot het voorlopige hoogtepunt van deze reis: de vierdaagse tour naar de zoutvlaktes van Uyuni.

Die zoutvlaktes zouden we pas zien op de laatste dag. Eerst zouden we drie dagen hebben met prachtige landschappen en lama’s, urenlang rijdend over hobbelige weggetjes in een landcruiser.

Ik heb per ongeluk de voorkant van de Lonely Planet gefotografeerd.

De eerste twee dagen verliepen heel voorspoedig. De enige andere reisgenoot in onze auto was Steve, een stevige Brit van in de vijftig, vol met mystieke tatoeages. Hij was al vier jaar aan het reizen. Hij was veel in Nepal en India geweest, en liep alle mogelijke caminos in Spanje en Portugal richting Santiago de Compostella. Onze guide en chauffeur was Santos, een kleine schriele Boliviano die wat tanden miste door het onophoudelijk kauwen op cocabladeren. Het gezelschap werd compleet gemaakt door Sonia, de goedlachse kok met sproetjes. 

We waren niet de enige auto van Tupiza Tours. De andere auto werd bestuurd door een man die óók Santos heette. In die auto zaten vier mensen: de Argentijnse Marcella, de Spaanse Mònica en het Franse stel Laurent en Héloïse. 

Buitenaards landschap met geisers.

Er waren veel hoogtepunten op die eerste twee dagen: de lamaboerderij, rode meren (van het ijzer) vol met flamingo’s en vooral de natuurlijke geisers in een landschap dat soms wel op een andere planeet leek.

De derde dag verliep wat minder voorspoedig: we waren nog niet eens een half uur weg uit het dorpje toen de auto van de andere Santos stil langs de weg stond. Beide achterwielen stonden volledig schuin. Er was maar één conclusie mogelijk: de complete achteras was gebroken. De auto kon onmogelijk verder. 

Vervolgens moesten we wachten op een andere auto. In de tussentijd konden we verpozen in een hostel in de buurt waar een oud toiletvrouwtje zonder tanden met een looprek haar 2 Boliviano’s incasseerde.

Na vijf uur wachten was er eindelijk een andere auto. De route moest een flink stuk worden ingekort, maar gelukkig zagen we nog wel een aantal bizarre rotsformaties.

Ons hotel was net zo kut als de schilderingen.
Pas op voor rotte bananen!

Helaas was de ellende nog niet over, want we kwamen terecht in het afschuwelijke Hotel ‘Pato Donald’ (Oom Donald). Op de lakens zaten haren en oranje vlekken, bij de naar poep stinkende wc’s kon je uitglijden over een rotte banaan en de hele sfeer had griezelig veel weg van het hotel in ‘The Shining’. Tot overmaat van ramp had onze kok (die verder alleen maar fantastisch had gekookt) suiker in de spaghettisaus gedaan. 

Zonsopkomst in de Salar.

Gelukkig konden we de volgende dag naar de Salar de Uyuni, een zoutvlakte van meer dan 10.000 vierkante kilometer. We hadden geluk, want het had geregend, waardoor de vlakte op een gigantische spiegel leek.

Onze kok Sonia “bakt” ons.

Heel populair in de Salar is het om gekke perspectief-foto’s te maken, omdat je de horizon zo goed kan zien. Van te voren dacht ik natuurlijk: ‘aan die onzin ga ik niet meedoen’, om vervolgens op de Salar aan alle onzin mee te doen.

Uitzicht vanuit ons straatje in La Paz.

Na vier dagen tour werden we afgezet in het stadje Uyuni, dat dicht bij de Salar ligt. We wisten al dat er in Uyuni helemaal niks te doen viel, dus we hadden maar één nacht in een hotel geboekt om een beetje bij te komen. Maar toen we eenmaal hadden ingecheckt en even rondliepen door het stadje bedachten we ons opeens iets. Er gaan alleen maar nachtbussen naar La Paz, en dat zou betekenen dat we niet alleen de huidige dag zouden moeten doorbrengen in Uyuni, maar ook de volgende dag tot laat in de avond. Wat gaan we in vredesnaam doen in dat stadje, dat alleen bestaat uit deprimerende pizzarestaurants voor toeristen?

Dus deden we iets extreems decadents: we hebben heel fijn gedoucht in ons hotel, betaald, en toen zijn we dezelfde avond nog vertrokken met de nachtbus naar La Paz. Slopend (want tijdens de tour hadden we ook niet veel geslapen) maar heel fijn. Wat waren we blij toen we in La Paz aankwamen. 

De kabelbaan in La Paz: de Teleferico.

La Paz is officieel niet de hoofdstad van Bolivia (dat is Sucre), maar het is wel het kloppend hart van het land waar de regering zetelt. La Paz is gebouwd in een dal in het midden van hoge bergen. In die hoge bergen ligt een stad die nog groter is dan La Paz: El Alto. De beide steden zijn volledig met elkaar vergroeid. Omdat het verkeer altijd vaststaat en het onmogelijk is om in die steile bergen een metro te bouwen hebben ze voor een interessante manier van openbaar vervoer gekozen: een systeem van zo’n tien kabelbaan-lijnen die dwars over de stad zijn aangelegd op hoge palen. 

Worstelaars met bolhoedjes: cholita’s

La Paz had behalve een aantal interessante musea ook nog een trekpleister in de vorm van het Cholita worstelen: Boliviaanse dames die, volledig in traditionele kledij met bolhoed, met elkaar op de vuist gaan. Het was een spektakelstuk waar ook mannen uitgedost als vliegen (!) en ‘El Lobo’ (de wolf) het moesten opnemen tegen een dozijn cholita’s en andere worstelaars. 

De zonnepoort in Tiwanaku.

Zo’n zestig kilometer buiten de stad ligt een van de belangrijkste archeologische plaatsen van het land: Tiwanaku, met de beroemde zonnepoort. Als je dat ziet is het eerste dat je denkt: Inca’s. Maar deze beschaving was minstens duizend jaar ouder. Wat ik niet wist is dat de Inca’s dezelfde methode hanteerden als de Romeinen in Europa. Ze waren heel goed in het opnemen van tientallen andere beschavingen in het precolumbiaanse Latijns-Amerika en vervolgens hun goden, gebruiken en mythologie overnemen. Net zoals de Romeinen dat deden met de Grieken en de Egyptenaren. De Inca’s hebben eigenlijk maar relatief kort hun hoogtepunt gehad: van ruwweg het begin van de vijftiende eeuw tot in 1526 de Spanjaarden onder leiding van Francisco Pizarro in Panama aankwamen. Binnen vijftig jaar was het wel gedaan met de Inca’s.

Uitzicht op Isla del Sol.

Voordat we definitief Bolivia verlieten maakten we nog één stop. Op de grens tussen Peru en Bolivia ligt het Titicacameer, meer dan 3.800 meter boven de zeespiegel en daarmee het hoogste meer ter wereld. In dat meer ligt het prachtige Isla del Sol, een oase van rust, ezeltjes (er is geen autoverkeer) en een gigantische steile trap van een miljoen treden die we helaas eerst mét backpack moesten beklimmen voordat we ons hotel bereikten. Maar zoals je op de foto kon zien was het dat allemaal waard, want dat was het uitzicht vanuit zo’n beetje alle hooggelegen delen van het eiland.

De ruïnes van Saqsaywaman in Cusco, door grapjassen uitgesproken als “Sexy woman”.

Daarna reden we met een nachtbus naar de Inca-hoofdstad van Peru: Cusco (of Cuzco, of Qosqo, ze veranderen de spelling ongeveer elk decennium). De bekendste Inca-ruïnes, waaronder Machu Picchu, liggen allemaal in de buurt van deze middelgrote stad. 

Peru en Bolivia lijken op elkaar, maar zijn toch beduidend anders. Het eerste dat opvalt voor ons gierige Hollanders is de prijs: alles in Peru is twee keer zo duur. Daar staat wel tegenover dat in Peru alles nét iets rijker en moderner is. Helaas ook wel wat toeristischer: het centrale plein van Cusco kun je niet overlopen zonder minstens twintig keer te worden verleid om een massage te nemen, een tour naar Machu Picchu te boeken of in een restaurant te gaan eten.

Wel heel fijn is het eten: na bijna vier weken Bolivia was ik wel echt hélemaal klaar met de eindeloze borden rijst met een gekookte aardappel en een milanesa, een soort schnitzel. De keuken van Peru is veel gevarieerder en kent een grotere rijkdom aan ingrediënten. 

Peru is veel toeristischer dan Bolivia, maar minder dan ik dacht. Peru heeft namelijk slechts vier miljoen bezoekers per jaar. Om dat in verhouding te brengen: dat is minder dan Albanië (4,1), Kazachstan (4,6) en Bulgarije (7,1). Bolivia heeft er nog veel minder: iets minder dan een miljoen. Er gaan elk jaar meer mensen naar het Anne Frank huis (1,2 miljoen) dan naar het hele land Bolivia. In Machu Picchu komen elk jaar nét iets meer bezoekers dan aan dat kleine grachtenpandje aan de Prinsengracht in Amsterdam: 1,4 miljoen.

De kuttrein naar Machu Picchu.

En ja, in Machu Picchu zijn we natuurlijk ook geweest. Helaas deed dat wel wat pijn in de portemonnee. Per persoon ben je minimaal $200 kwijt, en dan heb je nog geen gids, overnachting of maaltijd.

Waarom is dat zo duur? Entree tot de plek zelf valt nog mee: $38. Een flinke som, maar gezien de omvang van de locatie en het onderhoud dat er moet gebeuren niet onredelijk. 

Nee, wat het vooral zo duur maakt is de fucking trein. Elk bezoek aan Machu Picchu begint bij het stadje dat aan de voet van de Inca-ruïne ligt: Aguas Calientes, ook wel bekend als Machu Picchu pueblo. Naar het dorpje gaan geen wegen, maar er is wel een treinstation. En daar zit ‘m de kneep: het goedkoopste retourtje van Cusco naar Aguas Calientes kost minimaal $140. Voor dat geld mag je eerst twee uur in een bus zitten (PeruRail noemt dat heel eufemistisch een ‘bimodal service’) van Cusco naar het station van Ollantaytambo. Met een willekeurige collectivo vanuit Cusco zou je dat hoogstens een euro of vijf kosten. Daarna zit je slechts 90 minuten in een boemeltreintje op enkelspoor naar het station van Aguas Calientes. 

Het probleem is dat de Peruaanse overheid aan het eind van de vorige eeuw de route heeft geprivatiseerd en uitbesteed aan twee private bedrijven: IncaRail en PeruRail. Samen hebben ze het duopolie op de enige manier om bij Machu Picchu te komen, en kunnen ze dus vragen wat ze willen. De enige twee alternatieven zijn een trekking zoals de Inca Trail (dan ben je vier dagen aan het wandelen) of een idiote route waarbij je eerst 6 uur in een busje zit, om vervolgens te worden gedropt bij het treinstation van een energiecentrale waarna je 2 uur langs het spoor kan lopen of een treinkaartje kan kopen voor $25.

Als je dan eenmaal in Aguas Calientes bent moet je twintig minuten met de bus naar de ruïne toe (of twee uur lopen), en voor dat retourtje betaal je $24.

Een of andere ruïne in Peru.

Maar goed, als je eenmaal bent bekomen van al die pijn aan je aars is het natuurlijk een prachtige ervaring. Het verhaal achter Machu Picchu is interessant: het is een van de weinige plekken in Peru die niet door de Spanjaarden is geplunderd, omdat het op zo’n afgelegen locatie ligt. In 1911 herontdekte de Amerikaanse Yale-docent Hiram Bingham de plek met de hulp van een lokaal 11-jarig jongetje. Er zijn nog veel meer grote Inca-ruïnes rond Machu Picchu. Het nabijgelegen Choquequirao schijnt bijvoorbeeld net zo indrukwekkend te zijn, maar is alleen te bereiken via een zware trekking van 2 dagen, en niet via, zeg, een trein waar je $140 voor moet uitgeven. Het verhaal gaat dat er in de toekomst een kabelbaan naar zal worden aangelegd. 

De ruïnes zijn indrukwekkend, maar wat Machu Picchu onderscheidt van de andere Inca-ruïnes (die wellicht net zo mooi zijn) is de locatie. Midden op een plateau op een bergtop, met in de ochtend een mysterieuze mist die over de plek valt. Op de achtergrond zie je de hele tijd de imposante bergtop van Huayna Picchu (die je kan beklimmen als je echt heel stoer bent). 

Colca Canyon, waar je soms een condor ziet (maar meestal niet).

Na bijna een week in Cusco en omgeving te hebben gezeten reisden we verder naar Arequipa, de tweede stad van Peru. Eigenlijk was dat best een verademing: de stad is levendig en druk, maar lang niet zo toeristisch (en prijzig) als Cusco.

Vanuit Arequipa deden we een tour door de Colca Canyon, een van de diepste kloven ter wereld en een plek waar je condors kan spotten. We wilden eigenlijk het liefste een trekking maken, maar door het regenseizoen werd het toch vooral een tour met een busje. Het was desondanks prachtig, want er is genoeg te zien rondom de Colca-vallei. We bezochten onder andere een kerk waar de voorbereidingen van het Katholieke feest Maria-Lichtmis in volle gang waren. Er werd een Mariabeeld aangekleed voor een processie en vrouwen werden met dat zware beeld op hun rug geaaid (!) voor goede vruchtbaarheid. Het Christendom en de traditionele gebruiken lopen hier dwars door elkaar. 

Verder hebben we gemountainbiked én inderdaad een aantal condors gezien. Wel van ver hoor, als je ze van dichtbij wilt zien kun je beter naar de dierentuin.

De verplichte lamafoto.
Paracas. Of: waar je niet dood wil worden gevonden.

Daarna door naar Paracas, een klein badplaatsje in de buurt van Lima. Dat was fucking verschrikkelijk. Okay, het was niet zo erg als het dorp Uyuni in Bolivia, maar uitsluitend toeristenrestaurants, stoffige zandweggetjes en heel veel blaffende honden is geen feest.

De Islas Ballistas: de reden waarom we toch in Paracas waren.

Gelukkig konden we wel een boottochtje maken naar de Islas Ballistas, ook wel eufemistisch bekend als de ‘poor mans Galapagos’. Onderweg naar het eiland stopten we kort bij de candelabra, een rotstekening van 180 meter hoog. Het lijkt een beetje op -maar is niet gerelateerd aan- de Nazca-lijnen. Niemand weet wie het ding ooit heeft gemaakt en hoe oud het is, maar indrukwekkend is het zeker.

Daarna waren we bij de eilandjes. Helaas mag je niet aanmeren, maar de boot komt heel dichtbij dus kun je goed kijken naar alle bijzondere vogels en zeeleeuwen. De rotsen zitten helemaal vol met vogelpoep, een bijzonder vruchtbaar spulletje dat elke zeven jaar wordt geoogst en verkocht voor goed geld. De kolonie zeeleeuwen maakt ondertussen een afgrijselijk kabaal. Heeft u de dino’s wel eens horen brullen in Jurassic Park? Juist, zo klinken zeeleeuwen dus.

Hoofd van een mummie in het Museum Larco in Lima.

Paracas konden we na twee nachten gelukkig ‘s ochtends vroeg ontvluchten met een kort ritje naar de hoofdstad van Peru: Lima. Lima is gigantisch, en een stuk moderner en Amerikaanser in vergelijking met andere Latijns-Amerikaanse steden waar we zijn geweest, zoals La Paz en Arequipa.

We bezochten het Museum Larco, met voornamelijk Inca en pre-Inca kunst. Het was zonder twijfel het beste museum dat we op reis hebben gezien. Alle stukken waren in topconditie (een beetje griezelig goed misschien zelfs wel), uitstekend geëxposeerd, en voorzien van goed leesbare informatie in niet minder dan acht talen. 

Ons verbraste pensioen.

We wilden op reis één keer splurgen in een goed restaurant. Dat kon bij Astrid & Gastón, het eerste restaurant van Gastón Acurio, zeg maar de Jonnie Boer of Sergio Herman van Peru. We namen het proefmenu van 15(!) gangen en kregen vooral heel veel vis en vlees, op typisch Peruaanse wijze bereid. Vooral het vlees en het broodmandje met smeersels (gerookte tomaat met anijs) waren subliem. Ik denk dat het nét niet een ster zou kunnen krijgen bij de Michelin, daarvoor waren er soms iets te veel smaken op het bord en de desserts waren matig. Voor zo’n $150 per persoon verwacht je toch nét iets beters. Maar desondanks: heerlijk.

Inwoner van de Galapagos (onder) met toeristen (boven).

Via Quito (de hoofdstad van Ecuador) vlogen we naar de Galapagos-eilanden. Dat was niet gepland, want in mijn hoofd waren de eilanden belachelijk duur, en kon je er alleen rondreizen met een krankzinnig dure cruise van minstens 3000 dollar.

Maar dat bleek flauwekul. Je kan prima zelfstandig rondreizen op de Galapagos. En dat kan zelfs voor minder dan $100 per dag.

Alles veranderde toen we in Cusco Martin tegenkwamen, een Britse wandelaar die zonder cruise en on the cheap de Galapagos had gedaan en ons ervan overtuigde dat wij het ook moesten doen. Martin was tevens de dierenarts van de vele katten van Stanley Kubrick en moest ze regelmatig behandelen. Er was dan meestal niet zo veel aan de hand, want Kubrick was een notoire hypochonder (ook voor zijn huisdieren). 

Die twee dingen hebben verder niks met elkaar te maken, maar u snapt dat ik die anekdote niet onvermeld kon laten.

Blue-footed boobies. En dus stof voor eindeloos veel flauwe tietengrappen op shirts die je op de eilanden kan kopen.

Ondanks dat de Galapagos betaalbaar bleken te zijn, zijn ze niet goedkoop. We betaalden zo’n $500 per persoon voor de vluchten, en dan nog $120 voor entree en visa. Er zijn overigens geen wachtlijsten: er is een beperkt aantal dagelijkse vluchten (die in het hoogseizoen vast snel vol raken), maar wij konden gewoon een week van tevoren boeken.

Alles op het eiland is duur, want er wordt heel weinig op de Galapagos zelf geproduceerd en dus wordt het overgrote deel geïmporteerd. Voor dezelfde fles wijn die in de Albert Heijn €5 kost betaal je in de supermarkt makkelijk $25. En zelfs voor een simpele hamburger met frietjes betaal je al snel $15.

Wel duur, maar niet onoverkomelijk. Want als je eenmaal op de eilanden bent kun je makkelijk zelf natuurschoon in de buurt bekijken (gratis) of dagtripjes doen (betaalbaar). Op een gegeven moment ontdek je wat goedkoop is in de supermarkt (in ons hotel waren op een avond drie koppels pasta met tonijn aan het eten). In totaal hebben we hier een week gezeten en waren we per persoon zo’n $500 kwijt. 

Wil je even lekker zitten? Kan niet. Zeeleeuwen geven geen fuck om jouw vermoeide beentjes.

En dat was het allemaal heel erg waard, want de Galapagos zijn een van de meest bijzondere plekken waar ik ooit ben geweest. Pas in de zestiende eeuw werd de eilandengroep voor het eerst permanent bewoond, waardoor de natuur hier volledig haar gang kon gaan en er vele soorten evolueerden die alleen hier voorkomen. Je kunt je heel goed voorstellen waarom Darwin juist hier zijn inspiratie kreeg voor zijn evolutietheorie.

Omdat de mens pas heel recent voorkomt op de eilanden zijn de dieren totaal niet schuw. Zeeleeuwen liggen letterlijk op bankjes te chillen bij de haven en zeeleguanen steken zo de straat over. Je hoeft maar te gaan snorkelen bij een strand op loopafstand van je hotel en je ziet scholen kleurige vissen en rifhaaien. 

Een zeeschildpad op het eiland Isabela.

Het grootste deel van de week zaten we in Puerto Ayora op het eiland Santa Cruz, de grootste stad van de archipel. We wilden ook twee dagen op het eiland San Cristobal zitten, maar door een domme fout van de rederij kwamen we terecht op de verkeerde boot, naar het eiland Isabela. Niks mis mee, want ook prachtig, maar wel een beetje sneu voor het geboekte hotel op het andere eiland. 

We hebben er het beste van gemaakt, want op Isabela maakten we een prachtige bootexcursie naar een stuk zee met lavasteen-eilanden. We konden snorkelen tussen de pinguïns, haaien, kreeften en zeeschildpadden.

Ze verkochten niet alleen textiel op de markt van Otavalo.

Na een week vlogen we terug naar Quito, waar we de textielmarkt van Otavalo bezochten. Daarna gingen we door naar de Quilotoa-loop. Dat is een gebied in het midden van Ecuador waar je mooi kunt wandelen.

Boomstambrug bij de Quilotoa-loop.

De Quilotoa-loop bestaat uit drie routes die je kan lopen in evenveel dagen. De instructies die je van je hotel meekrijgt zijn verre van duidelijk, dus de (soms aanwezige) routebordjes, een (offline) kaart op je telefoon en hulp van mede-wandelaars en de lokale bevolking is onontbeerlijk. Een beetje een avontuur dus.

Maar het is ook een toeristentrekpleister in de dop. Alles lijkt klaar te zijn voor een enorme toestroom van toeristen, maar heel toeristisch is het nog nét niet. De hotels zijn goedkoop, uitstekend en zowel het ontbijt én diner is inbegrepen in de (lage) kamerprijs. 

Het meer in de Quilotoa-krater.

Wij deden twee van de drie dagen. Of beter gezegd: mijn vriendin deed dat. Ik was al een beetje ziekig, en na de eerste dag zo compleet gesloopt dat ik de tweede dag per taxi deed. Dat was verstandig, want het parcours op de laatste dag was heel zwaar, zeker in combinatie met de gebrekkige instructies. De ‘steep sandy slope’ met slippend zand waar mijn vriendin met gevaar voor eigen leven en érg veel moeite omhoog klom bleek bovenop de berg naast een veel makkelijker route te liggen.

Mijn taxiritje was iets makkelijker. Bovendien bleek de chauffeur verkiesbaar te zijn in de lokale gemeenteraad én hij reed me rond in zijn eigen campagnewagen, volgeplakt met foto’s van zichzelf en een megafoon. Om de tien minuten stopte hij om passanten erop te wijzen dat ze op hem moesten stemmen (“Vota por mí! Lista cinco!”).

Uitzicht vanaf het eindpunt van de TelefériQo in Quito.

Na de Quilotoa-loop gingen we terug naar Quito om daar nog een paar dagen door te brengen. Van de grote Zuid-Amerikaanse steden die we bezochten vond ik Quito het leukst. De stad is gigantisch (meer dan 2,5 miljoen mensen) maar minder heftig verdeeld in rijk en arm zoals Lima maar ook weer niet zo armoedig als La Paz. Er is overal activiteit, en het oude centrum is erg mooi, met koloniale gebouwen. Sinds 1978 staat Quito op de UNESCO werelderfgoedlijst. 

In Quito gingen we met de TelefériQo (kabelbaan) naar de top van een heuvel in de buurt van de Pichincha vulkaan. In het centrum bezochten we een aantal van de beste musea van heel Zuid-Amerika. Na een paar dagen snapten we zelfs het supergoedkope ($0,25 cent per ritje) en uitgebreide bussysteem.

Iets minder leuk was de gratis wandeltour die we wilden doen. Eerst was er een dame die de naam van het bedrijf dat de tour organiseerde op haar arm had getatoeëerd. Ze vertelde dat ze ‘pas twee jaar oud was’ omdat ze pas zo kort bij het bedrijf werkte. Vervolgens moesten we allemaal met elkaar knuffelen. Ze vertelde over de ‘bijzondere hoge energie’ die van onze gids zou komen. De gids zelf wilde ‘wel vijf uur gaan wandelen’. Toen hij vervolgens iedereen verplichtte om met een willekeurige taxichauffeur op de foto te gaan besloten we de benen te nemen. We zullen wel niet de juiste chakra’s hebben gehad voor deze rondleiding.

Dak van Guayasamín’s “Kapel van de Mensheid”.

De laatste dag in Zuid-Amerika bezochten we het huis en de “kapel van de mensheid” van schilder Oswaldo Guayasamín (1919 – 1999). Guayasamín is een van de bekendste Latijns-Amerikaanse schilders. Zijn werken bestaan voornamelijk uit portretten, een beetje in de late stijl van Picasso. De “kapel van de mensheid” was zijn zwanenzang: een gigantisch gebouw met metershoge doeken die als een tempel voor de mensheid moeten dienen. Want als er zoveel kerken en tempels zijn voor bovennatuurlijke wezens, waarom is er dan geen voor de mensheid? Zeer indrukwekkend en ontroerend.

Het Spaanse dorp Polopos, waar we zaten.

Vanaf Quito vlogen we niet direct terug naar Schiphol. Eerst brachten we nog vijf dagen door bij goede vrienden in het piepkleine Polopos, een Spaans dorpje op anderhalf uur rijden van Granada. De reis ging niet helemaal vlekkeloos, maar dat is een verhaal wat je beter even hier kunt lezen.

Andalusië, en dan specifiek de Sierra Nevada en Alpujarras zijn naar mijn mening een van de mooiste landschappen van Europa. Je hoeft maar een willekeurig bergweggetje in te slaan of je ziet bergen bedekt met sneeuw, olijfbomen en ergens in de verte de zee. De perfecte plek dus om nog paar dagen te acclimatiseren voor we naar de hectiek van alledag zouden terugkeren.

Heel tof was dat we in een dorpje in de buurt van Granada koffie konden drinken met Steve, een Britse man met wie we in Bolivia de Uyuni-tour hadden gedaan. Hij was bezig met een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella, en slechts anderhalf uur van ons verwijderd.

De laatste dag bezochten we het Picasso-museum in Malaga en hebben we heel uitgebreid het vliegveld van de stad kunnen bewonderen, want we hadden twee uur vertraging. Even na 2 uur ’s nachts hadden we eindelijk onze koffers op Schiphol en nét de nachttrein gemist. We namen een hele dure taxi en mijn eerste reis in Nederland werd ingeluid met een Tesla die met 140 kilometer per uur over de ring A10 naar huis reed.

Onze vriendjes Tinus en Barrie aanschouwen het wonder der luchtvaart.

Bedankt voor het lezen van dit reisverslag! Heb je zelf nog reistips? Laat ze achter in de comments. Om af te sluiten nog mijn beste tips voor als je zelf op reis wilt in Bolivia, Peru of Ecuador.

Add a comment